Hoe het Oude Testament Tommy Wieringa's roman 'Dit zijn de namen' beïnvloedt

9 minutes to read
Article
Lisa Laarakker
10/05/2017

Tommy Wieringa levert met Dit is de namen (2012) een moderne hervertelling van het klassieke Bijbelverhaal Exodus. Tot welke nieuwe inzichten kunnen we hierdoor komen?

Religie is een van de belangrijkste thema’s in Tommy Wieringa's Dit zijn de namen (2012). Hedendaagse thema’s als: op de vlucht zijn en het daarbij behorende verlies van identiteit komen ook duidelijk naar voren. Dat geloof een grote rol speelt in Dit zijn de namen blijkt wel uit de titel, die verwijst naar de eerste zin uit het Bijbelboek Exodus: “Dit zijn de namen van de zonen van Israël die in Egypte gekomen waren met Jakob” (KBS, 1995). Dat de gebeurtenissen in de roman daarnaast ook parallel verlopen aan dit Bijbelverhaal, waarin de uittocht van de joden uit Egypte centraal staat, is opvallend en van grote betekenis voor het verhaal.

De groep mensen die deze ‘uittocht’ in Dit zijn de namen ondernemen zijn vluchtelingen die door mensensmokkelaars onder valse voorwendselen de steppe in zijn gelokt in een fictief, op Rusland gebaseerd land. In de maandenlange tocht naar de bewoonde wereld krijgen de haat en achterdocht tegen een van hen de overhand en wordt de enige zwarte man van het gezelschap vermoord. De vluchtelingen zien het geluk dat ze hierna hebben als direct gevolg hiervan. In de hoop dat zijn lichamelijke aanwezigheid hen geluk blijft brengen en hen veilig naar de bewoonde wereld leidt, besluiten ze zijn hoofd als relikwie mee te nemen.

Wieringa laat met dit boek zien dat hij beschikt over een uitgebreide kennis van oosterse filosofie, onder andere van Confucius en Zhuang Zi, en van de geschiedenis van het jodendom. De roman staat dan ook vol met verwijzingen naar het jodendom. Het intrigeert mij waarom Wieringa dit doet. Hoe kan men de overvloed aan religieuze symbolen en verwijzingen in deze roman interpreteren? Wat zegt Wieringa’s werk over het ontstaan van geloof als het gevolg van de brute moord op een buitenstaander over Wieringa’s beeld van religie?
 

De barmhartige Samaritaan als zondebok

Het ontstaan van religie wordt in Dit zijn de namen gekoppeld aan de cultus en het mysterie rondom het hoofd van de zwarte man. Het gezelschap van vluchtelingen gelooft dat het hoofd over magische krachten beschikt, en dat de geest van de zwarte man hen in dromen de weg wijst. Opvallend genoeg hebben de vluchtelingen geen enkel schuldgevoel over de collectieve moord die zij gepleegd hebben, maar geloven ze dat het noodzakelijk was in hun situatie: “Zijn dood was onafwendbaar, zoals het zaad op de aarde moest vallen en sterven om in het voorjaar weer vrucht te dragen” (pp. 261-262). De zwarte man was enkel daar om zich voor hen te offeren.

Ook in Wieringa's roman zorgen het hebben van een gezamenlijke vijand en het doden van de zondebok voor een gevoel van verbondenheid.

Dit denken over een zondebok die geofferd dient te worden voor het geluk van de samenleving is niet nieuw. Zo heeft de Franse antropoloog en filosoof René Girard de ‘zondeboktheorie’. ontwikkeld. Dit houdt in dat iemand, vaker onterecht dan terecht, schuldig wordt bevonden aan een misdaad, daarvoor wordt gestraft, en schuldig wordt bevonden aan alles wat in een bepaalde gemeenschap is misgegaan (Tiekstra, 2013): “De doem die van meet af aan boven hun hoofd meereisde was opgelost en weggeblazen. (…) wie wist er een andere oorzaak dan de dood van de zwarte?” (p.260) 

Het fenomeen van de zondebok is volop in de geschiedenis terug te vinden, een voorbeeld daarvan zijn de heksenvervolgingen in de Middeleeuwen, of zoals in Dit zijn de namen ook al genoemd wordt, de vervolging van de joden in de Tweede Wereldoorlog. De zwarte man uit Dit zijn de namen is het perfecte voorbeeld van een zondebok: hij heeft een andere huidskleur en spreekt niet dezelfde taal als de rest. Hij staat daarom alleen. Hij wordt belachelijk gemaakt en gehaat. Ondanks zijn slechte positie in de groep is de zwarte man de enige die een ernstig verzwakte man van de dood redt, terwijl de rest alleen aan zichzelf denkt. De zwarte man is, ironisch genoeg, de barmhartige Samaritaan van het gezelschap: hij is de enige die belangeloos een ander wil helpen, terwijl hij zelf wordt geminacht.

Het hebben van een gezamenlijke vijand en het doden van de zondebok zorgen ook in Wieringa's roman voor een gevoel van verbondenheid. Na de dood van de zwarte man heerst er een gevoel van opluchting en dit geeft het gezelschap weer moed om door te gaan. De zwarte man fungeert als het religieuze offer dat de samenleving weer stabiel en homogeen moet maken en de haat jegens hem is de factor die hen allemaal verbindt. Na zijn dood maakt de vijandigheid plaats voor een gevoel van dankbaarheid bij de vluchtelingen. Dit komt ook overeen met de zondeboktheorie van Girard. Volgens Girard is de collectieve moord op een zondebok namelijk het geheim waarop samenlevingen gebouwd worden: waar de zondebok voor zijn dood verantwoordelijk is voor al het kwaad, is hij na zijn dood verantwoordelijk voor het nieuwe gemeenschapsgevoel (Stein, 2006): “hij die de beklemming had veroorzaakt, had haar ook weer weggenomen” (p. 260).
 

Het ontstaan van religie

Wat de vluchtelingen in Dit zijn de namen verbindt, is dat ze het hoofd van de zwarte man mystieke krachten toekennen. Hierbij verdraaien ze de oorzaak van de collectieve moord, en pleiten ze zichzelf vrij: “Hij [de zwarte man] heeft Vitaly’s hand geleid om zijn hoofd af te snijden, zodat hij bij ons kon zijn. Ook in de dood heeft hij ons niet verlaten” (p. 260). Deze cultus vertoont overeenkomsten met religie. Dat Wieringa het ontstaan van religie juist zo weergeeft, als het gevolg van geweld en haat, biedt ruimte aan interpretatie.

De vraag is of Wieringa geloof ook zo wilde beschrijven: als een puur menselijke constructie, die eigenlijk belachelijk is maar waar veel van ons toch in geloven, en bovendien aanzet tot haat en een excuus kan zijn voor het gebruiken van geweld. Geen bovenmenselijke macht, maar het zondebokmechanisme als noodzaak voor een samenleving om eendrachtig te zijn, zorgt voor het ontstaan van religie. Deze visie brengt noodzakelijkerwijs een negatief mensbeeld met zich mee: naastenliefde heeft in de roman van Wieringa geen zin. Enkel het recht van de sterkste en de macht van de meerderheid telt. De mens stoot liever mensen die anders zijn af en is in staat zonder enige schuld de grootste misdaad te begaan, namelijk een moord te plegen. Vanuit deze invalshoek is religie een verbindende factor in een samenleving, die aanzet tot haat jegens hen die geen onderdeel uitmaken van de samenleving. Religieuze symbolen en verwijzingen dienen vanuit deze interpretatie om de parallel tussen de zondeboktheorie en religie duidelijk te maken, en zijn verder niet betekenisvol.

Om tot een andere interpretatie te komen moeten we ons verdiepen in de tweede grote verhaallijn in Dit zijn de namen. In deze verhaallijn begint de politiecommissaris Pontus Beg interesse te tonen in joodse tradities en geschiedenis nadat hij ontdekt dat hijzelf van joodse afkomst is. Beg is niet gelukkig met zijn grauwe, uitzichtloze bestaan in de stad Michailopol die gekarakteriseerd wordt door verval, corruptie en vergane glorie. Religie biedt Beg houvast, hoop en het gevoel ergens bij te horen: "Hij zou een jood zijn (...) dat was zijn plaats in de wereld, deel van een volk, van een gemeenschap" (p. 141). Beg voelt zich onderdeel van een eeuwenoude traditie en geloofsovertuiging. Ook trekt een geloof waarin de geest belangrijker wordt geacht dan het lichaam Beg in het bijzonder aan, met zijn piep in het oor en een koude, slecht doorbloede voet. Het vinden van het geloof van Beg is een goed voorbeeld van hoe religie kan ontstaan in een individu. Volgens deze visie is religie iets wat mensen gelukkig maakt.

 

Verwijzen naar het Oude Testament

Dit zijn de namen bevat vele verwijzingen naar Bijbelverhalen. Zo namen de joden bij hun uittocht uit Egypte naar het beloofde land ook de beenderen van een van hen mee, namelijk Jozef. De vluchtelingen in Dit zijn de namen doen dit ook met het hoofd van de zwarte man. Pontus Beg leert als het ware het verhaal van de vluchtelingen kennen voordat hij ze heeft gesproken, doordat hij door de rabbijn Zalman Eder wordt onderwezen in de Thora en andere joodse geschriften (het Oude Testament komt overeen met de Tenach, het heilige boek van de joden, waarvan de Thora het belangrijkste is). 

Als de twee verhaallijnen samenkomen en Beg de vluchtelingen spreekt, komt hij tot het besef dat de vluchtelingen een tocht hebben gemaakt die gelijk is aan de uittocht van de joden uit Egypte. Door dit geloof en door de gedachte dat de zwarte man voor een wonder heeft gezorgd door hen te redden en ze naar de bewoonde wereld te leiden, zijn de vluchtelingen ervan overtuigd dat zij de “uitverkorenen” (p. 261) zijn. De joden zijn volgens de Thora het ‘uitverkoren volk’ (KBS, 1995). Hiermee is de cirkel rond. Net als de eerste gelovigen van God, de joden die de uittocht uit Egypte maakten, beschouwen de vluchtelingen in Dit zijn de namen zich ook uitverkoren door God.  

Door de personages van de vluchtelingen een tocht te laten maken gelijkend op de tocht van de joden in Exodus, impliceert Wieringa dat de vluchtelingen ook uitverkoren door God zijn.

Het begrip dat op Dit zijn de namen van toepassing is, is ‘intertekstualiteit’. Dit houdt in dat een tekst steeds in relatie tot andere teksten staat en daardoor ook verweven is met andere teksten (van Dijk, 2013). In alle teksten wordt verwezen naar andere teksten of worden andere schrijvers herhaald. Dit kan ook niet anders, want als schrijvers werkelijk origineel zouden zijn en geen bekende thematiek of situaties zouden gebruiken, zou niemand ze kunnen begrijpen (Claes, 2011). 

 

Paradoxaal genoeg kunnen we nieuwe informatie alleen begrijpen als we het nieuwe kunnen vergelijken met gegevens die we al kennen (Claes, 2011). De gebeurtenissen in Dit zijn de namen worden geassocieerd met Bijbelverhalen. In dit geval draagt de intertekst, het boek Exodus, bij aan een van de belangrijkste motieven van de roman: religie en het ontstaan ervan. Door de intertekst, het Exodusverhaal, kan de lezer de roman beter begrijpen. Bovendien is voor ingewijden na lezing van de titel al direct een deel van de thematiek duidelijk.
 

Het verwijzen naar zo’n groot klassiek werk brengt ook andere consequenties met zich mee. Door naar klassieke verhalen te verwijzen, plaatst de auteur zijn personages in relatie met het verleden (van Dijk, 2013). Door de personages van de vluchtelingen een tocht te laten maken gelijkend op de tocht van de joden in Exodus, impliceert Wieringa dat de vluchtelingen wanneer ze in Michailopol aankomen, uitverkoren door God zijn. Deze analogie wordt in de tekst door Beg zelf ook al genoemd, en dit versterkt zijn geloof alleen maar: "De verhoren brachten de exodus op een geheimzinnige manier dichterbij (...) hij had soms zelfs het gevoel dat het verhaal van de vluchtelingen zich speciaal voor hem had afgespeeld. Zo dichtbij was de Eeuwige dan, dat een geluksgevoel bezit van hem nam." (pp. 248-249). De gelijkenis tussen de eerste joden en de vluchtelingen in Dit zijn de namen gaat in zoverre op dat ze allebei aanwezig waren bij het ontstaan van, of de ontwikkeling van, een religie, en op die manier draagt dit bij aan een van de belangrijkste motieven in het verhaal. 

Mensen geven betekenis aan religie

Wieringa’s beeld van religie is niet uitgesproken positief of negatief. Beide verhaallijnen geven een ander perspectief op hoe Wieringa religie en de rol van de mens daarin beschouwt: als een verbindend mechanisme waar mensen niet zonder kunnen, of als een bron van inspiratie die bepaalde mensen zoeken, bijvoorbeeld als het in het lichamelijke leven niet meezit. Ook in Dit zijn de namen zijn het uiteindelijk de mensen zelf die betekenis moeten geven aan religie.

 

Met Dit zijn de namen heeft Wieringa laten zien hoe een roman met actuele thema’s, zoals het op de vlucht zijn en het verlies van identiteit, ook verhalen en theorieën met betrekking tot godsdienst kan bevatten. Wieringa’s roman is, naast het feit dat het een parallelvertelling bij het boek Exodus is, ook in staat om de lezer kritisch te laten nadenken over de rol van de mens in de vorming van geloof, waarom mensen geloven en waar mensen toe in staat zijn. Dit kan dan ook gezien worden als de bijzondere kracht van literatuur: mensen een kritische blik te laten werpen op processen en zaken die in de samenleving spelen.


 

Referenties

Claes, P. (2011) Echo's echo's. De kunst van de allusie. Nijmegen, Vantilt

van Dijk, Y. (2013) Draden in het donker: Intertekstualiteit in theorie en praktijk. Nijmegen, Vantilt

Katholieke Bijbelstichting ’s-Hertogenbosch (1995) De Bijbel: Willibrordvertaling. Amsterdam, Euroset b.v.

Stein, Y. (2006, 7 februari) Mechanisme van zondebok voorkomt totale oorlog. Trouw
(voor het laatst geraadpleegd op 9 november 2016)

Tiekstra, J. (2013) Volzin. Magazine voor religie en samenleving, 23, pp 24-29
(voor het laatst geraadpleegd op 9 november 2016)

Wieringa, T. (2012) Dit zijn de namen. Amsterdam, De Bezige Bij