Over literatuurwetenschappers die zichzelf onrecht aandoen: 'We hoeven niet te zwelgen in subjectivisme'

7 minutes to read
Article
Daan Rutten
17/10/2017

Het is, geloof ik, niet chic om te reageren op een recensie van je eigen boek. Ik ben voor decorum en de goede omgangsvormen, maar de huidige discussie over de waarde en waarheid van de literatuurwetenschap, gevoerd door filosoof Sebastien Valkenberg, Maarten Steenmeijer, Saskia Pieterse en Inge van de Ven, noopt me om dat toch te doen. Een gepassioneerd debat over waarheid lijkt me überhaupt van meer vitaal belang voor de wetenschap dan de lieve vrede te bewaren. Om mijn punt te maken, vrees ik dat ik andermaal onbescheidenheid moet tonen en iets moet zeggen over mijn eigen proefschrift. Dat handelt over de modernistische schrijver Willem Frederik Hermans en dan vooral de vraag: hoe kon het zijn dat hij, zoals de literaire modernisten in de traditie van James Joyce en Franz Kafka, de Waarheid voor onbekend hield en tegelijkertijd toch zoveel over de wereld pretendeerde te kunnen zeggen? Hoe kon hij acteren als een polemische maatschappijcriticus terwijl hij het uitgangspunt huldigde dat er geen vaste maatstaven meer gelden in de moderne tijd? En hoe kon hij ook nog eens natuurwetenschapper blijven, terwijl hij als schrijver de waarheid voortdurend onderuit haalde?

Natuurlijk is het met allerlei (post)moderne theorie in de geest van Mikhail Bakhtin mogelijk om de tegenstellingen te laten bestaan en te concluderen dat Hermans’ persoonlijkheid en schrijverschap vol ongerijmdheden zaten, die we niet geforceerd hoeven op te lossen. Als natuurwetenschapper kon hij zich dan tot de wereld richten en tegelijkertijd kon hij in zijn literatuur alle waarheid ontkennen en zich terugtrekken in zijn literaire cocon. In mijn proefschrift besloot ik echter dat deze conclusie te gemakkelijk is, want juist het sociale engagement en de cultuurkritiek in Hermans’ literatuur ongezien en onbesproken laat. Wie het gangbare concept van het modernistische schrijverschap openbreekt om het te verruimen (en dus niet ontkent of aanvalt, zoals recensent Edwin Praat me wat mij betreft onterecht aanwrijft), schept ruimte om dat sociale en polemische engagement te begrijpen als inherent aan z’n literaire schrijverschap, en het dus niet alleen te beschrijven als slechts een randzaak of een misstap.

Wat me echter vooral tegen de borst stuitte was zijn bezwaar van ‘essentialisme’, zo ongeveer het meest ernstige verwijt dat je een hedendaagse letterkundige kunt maken

Mijn conclusie is dat de nihilistische Hermans helemaal niet de totale werkelijkheid ontkent. Hij ontkent alleen dat de wereld die aan ons verschijnt ook nog eens een onzichtbaar fundament voorbij de wereld kent, die garant staat voor eeuwigdurende orde, zin of essentie van onze werkelijkheid. Dit valt volgens mij af te leiden uit de metafoor van het ‘spel’ die veelvuldig voorkomt in zijn werk. De menselijke leefwereld kent geen vaste orde, maar wel orde in de vorm van een taalspelen. Eén zo’n taalspel is de natuurwetenschap, waarin de spelregel geldt dat we observaties beschrijven die anderen kunnen navolgen. Andere taalspelen (rechtspraak, politiek, religie, kunst enzovoorts) kennen weer andere expliciete en impliciete spelregels, en dat laat meteen zien dat het spel niet vastligt en op verschillende manieren kan worden gespeeld. We kunnen niet echt zonder de virtuele orde van die spelregels en daarom moeten we het zien als een ernstig spel, een harde realiteit. Desalniettemin kunnen we de spelregels soms verleggen en dat is de geëngageerde functie van de moderne literatuur: tonen dat onze spelregels niet vastliggen, dat onze spel-identiteiten (rolpatronen) niet in steen gebeiteld zijn, noch gegrond in een hogere of lagere waarheid, maar slechts tautologisch in het spel zelf.

Mijn recensent verweet me tautologisch te zijn (omdat ik Hermans’ modernisme zou ontkennen én bevestigen, wat dus niet het geval is), maar hij heeft me op een bepaalde manier beter begrepen dan hij dacht. Wat me echter vooral tegen de borst stuitte was zijn bezwaar van ‘essentialisme’, zo ongeveer het meest ernstige verwijt dat je een hedendaagse letterkundige kunt maken. Hij zegt dat ik ondanks het geëvoceerde speldenken en het uitgangspunt van een virtuele, onvaste werkelijkheid, toch een ‘essentialistische leeswijze’ hanteer, omdat ik soms spreek van een ‘juiste interpretatie’, of een interpretatie ‘adequaat’ is, of van een ‘sleutel’ tot een werk. Omdat ik Hermans’ poëtica, biografie en tekst naast elkaar lees en overal het speldenken aan het werk zie, vindt hij dat ik een ‘gesloten circuit’ suggereer en dat ik er een definitieve orde aan heb opgelegd. De criticus vindt dat ik vanuit het poststructuralistische denken ook mijn eigen interpretaties had moeten ‘fileren’ en omdat er geen hoofdstuk in zit waarin ik mezelf nog eens onderuit haal, vindt hij dat er een soort ‘halfheid’ in mijn proefschrift zit.

Ik zou hier niet zo mee zijn blijven zitten, als deze argumentatie niet precies de misvatting in de hand werkt dat literatuurwetenschappers hooguit een compleet subjectief verhaal te berde zouden kunnen brengen. Natuurlijk is wat ik naar boven haal in Hermans deels afhankelijk van mijn perspectief, mijn theorie (van theorein: ‘wijze van zien’, ofwel een ‘esthetisch a priori’ zoals socioloog Willem Schinkel het wat mij betreft terecht noemt), maar dat betekent niet dat wat we zien niet ook in de werkelijkheid zit. Ik zou mezelf ook niet direct willen omschrijven als een positivist, die gelooft dat het mogelijk is om tot pure waarheid te komen, maar ik geloof wel dat de wereld, ook wanneer die gemaakt is van letters, bestaat. Wie kan dat ontkennen zonder zichzelf te denken als niets dan een solipsistisch brein in een vat? Wel ga ik er als aanhanger van het pragmatisch-perspectivistisch neopositivisme vanuit dat de empirie een oneindige rijkdom kent aan aspecten en feiten en dat we er dus niet aan ontkomen met behulp van een theorie, een perspectief, een zoeklicht, die feiten te ordenen en ze te laten spreken. Een bepaalde theorie, en de manier waarop deze theorie wordt gebruikt, laat bepaalde aspecten van de werkelijkheid oplichten en zal andere aspecten verhullen of onbesproken laten.

Dit wil wat mij betreft echter niet zeggen dat relativisme regeert en dat elke theorie even adequaat is, even goed of slecht. Zeker, om een open blik te behouden, is het nodig om een dosis relativiteit te erkennen: elke theorie werkt in zekere zin tautologisch en dat geldt in elke wetenschap en elk wetenschappelijk domein. De theorie stelt aspecten van de empirie centraal die reeds in de theorie besloten liggen, en zal wat buiten de eigen scope ligt naar de periferie verdrijven. Elke theorie heeft een zoeklicht én daarom ook blinde vlekken. Slechte theorievorming laat echter niet alleen een deel van de realiteit onbesproken, wat onvermijdelijk is, maar werkt ontkenning in de hand van een deel van de realiteit die zij beoogt te beschrijven. Dit was bijvoorbeeld het geval met het modernistische perspectief op Hermans, dat vooral z’n sociale engagement onbereflecteerd liet. Ik besloot het perspectief, dat op zich veel zinnigs naar boven haalt van Hermans’ schrijverschap, aan te passen, los te wrikken, uit te breiden. Hierdoor kwamen andere aspecten in de schijnwerper te staan, andere thema’s en motieven die tot ‘sleutel’ werden gepromoveerd. Dat is het spel van de wetenschap: andere aspecten laten oplichten die niet per se meer waarheidswaarde hebben, maar wel additionele, nieuwe kennis, een andere kijk op de zaak opleveren. Vandaar het 'pragmatische' in mijn wetenschapsdefinitie. En ja, vanuit een ander, aangepast perspectief worden bepaalde vaststellingen over de empirie juist of onjuist, worden andere perspectieven meer of minder aannemelijk, en is het je wetenschappelijke plicht om de discussie en confrontatie aan te gaan met andere weergaven van de werkelijkheid. 

Het is een misvatting dat literatuurwetenschappers hooguit een compleet subjectief verhaal te berde zouden kunnen brengen

Dat is echter nog geen essentialisme, wat wil zeggen dat er maar één zijnsorde, één ware essentie te vinden zou zijn achter alle woorden die Hermans’ universum uitmaken (waartoe ik ook Hermans’ biografie, essayistiek en poëtica reken, tussen deze teksten zit wat mij betreft wel verschil, maar geen hiërarchie). Ik ben uitgebreid op mijn theoretische vooronderstellingen ingegaan, om te vermijden dat lezers zouden denken dat het allemaal panklaar ligt te wachten, onafhankelijk van de blik die mij heeft gestuurd. Natuurlijk is er altijd een ander perspectief mogelijk, en heeft niemand toegang tot de (noumenale) essentie van de wereld, dat weten we al sinds Kant (‘de dingen op zich kunnen we niet kennen’), maar de (fenomenale) empirie kunnen we behoorlijk goed beschrijven met behulp van theorie en methode, en dat geldt niet minder voor de literatuurwetenschap dan voor elke andere wetenschap. Het enige wat literatuurwetenschappers elke keer opnieuw zwak maakt in het debat, is dat ze het geloof in hun eigen perspectief vaak al opgeven nog voordat er consensus over is bereikt. Menswetenschappen als cultuur- en literatuurwetenschap kunnen evenzo wetenschappelijk zijn als economie en sociologie. We hoeven niet te zwelgen in subjectivisme. 

Had ik dan mezelf nog een keer onderuit moeten halen en een ‘reflexieve’ paragraaf moeten toevoegen waar ik mijn eigen theorie onderuit haal? Een hoofdstuk dat alles in zich terugneemt en de hele monografie omturnt in een volmaakt autonoom, raadselachtig kunstwerk zonder these? Die schuchtere tactiek is zo ongeveer usance geworden in de moderne letterkunde die zwelgt in het eigen nihilisme van de literaire auteurs die ze beschrijven, zie bijvoorbeeld Willem Glaudemans’ Hermans-studie De mythe van het tweede hoofd (1990). Glaudemans schreef een zeer instructieve studie, maar eindigde niettemin met de opmerking ook geen tweede hoofd te hebben om het eerste hoofd te kunnen doorgronden. Toen ik dit voor het eerst las, vond ik het een zwaktebod van weer een literatuurwetenschapper die vooral zichzelf ontzettend tekort doet. Uiteindelijk verraadt het vooral veel onzekerheid en de wens om onkwetsbaar te zijn en kritiek te vermijden.

Het is een beetje als die clowneske vriend die zegt dat je een deerniswekkend sujet bent, maar dat je er niet om moet malen, omdat hij zelf net zo’n figuur is. Verweer is niet mogelijk met zo’n nar die zich compleet onschadelijk heeft gemaakt. Zou het komen door z’n hang naar onaantastbaarheid, zijn eigen heimelijke afkeer van ‘halfheid’ en dus hang naar ‘heelheid’ en een ‘gesloten circuit’? Wetenschap is een spel, maar wel een serieus spel, met een serieuze inzet. Met die inzet moet je de confrontatie aangaan met andere perspectieven, en kijken welke meer of minder productief zijn. Degenen die al het engagement in Hermans ontkennen, vind ik weinig productief. Nog minder productief vind ik degenen die alles terugnemen nog voordat een ander er iets over kan zeggen. Dat is spelbreuk, van iemand die zich ongrijpbaar, onaantastbaar en mystiek maakt als een God. Weinig chic, zou ik zeggen.