Meisjes en de Beauvoir

Blog
Iris Cuppen
21/11/2016

 

Simone de Beauvoir schreef in de inleiding van haar befaamde The Second Sex dat ze lang had getwijfeld om een boek over vrouwen te schrijven. Het onderwerp zou irritant zijn, voornamelijk voor vrouwen. Er was genoeg over geschreven en ze oppert dan ook het onderwerp als afgesloten te beschouwen. Vervolgens schrijft ze een boek dat vandaag de dag nog steeds als één van de belangrijkste en invloedrijkste feministische werken van de twintigste eeuw wordt beschouwd. Nu, bijna zeventig jaar later, ben ik hier en vraag ik me af hoe relevant het onderwerp ‘vrouwen’ vandaag de dag nog is. Wat betekent het om als vrouw geboren te worden in de Westerse maatschappij? Ik ben opgegroeid in een troosteloos dorp waar ik samen met de buurtjongens in camouflagekleding door de modder kon rollen. Als het te hard regende was ik de choreograaf van eindeloze dansroutines en de jongens waarmee ik eerder soldaatje speelde, waren dan (onder lichte dwang) mijn dansers. Meisjes konden in mijn perceptie uitstekend de leiding nemen, vooral als het om serieuze zaken als optredens in het buurthuis ging. Mijn ouders gaven me het gevoel dat ik evenveel waard was als mijn oudere broer. Dat ik vrij was me te uiten zoals ik dat wilde. Dat ik me niet te snel moest binden aan iets of iemand. Dat ik de wereld kon ontdekken op mijn eigen manier en dat dit los stond van mijn eigen sekse.

En toch werd ook ik, in de brugklas, op ruwe wijze geïntroduceerd met het fenomeen ‘vrouwelijkheid’. Een veel groter meisje wees me in het kleedlokaal venijnig op het feit dat het belachelijk was dat ik geen BH droeg. Terwijl ik naar het vormeloze hemd keek dat om mijn kleine - en nog opvallend platte - lichaam heen zwabberde, schaamde ik me. Ik voelde me onverzorgd en kinderachtig. Ik besloot met mijn moeder naar de HEMA te gaan, waar ik de kleinste BH kocht die ze hadden. Vanaf dat moment zou het uitdoen van dat kledingstuk een statement zijn en zou dat alleen nog maar gebeuren op intieme momenten. Als ik ging zwemmen met de buurtjongens merkte ik dat zij de komst van het bovenstukje met nieuwsgierigheid in zich opnamen. Het contact werd anders, de afstand tussen ons werd groter. Ze gingen heel stoer tegen me doen of waren juist overdreven hoffelijk. Het irriteerde me mateloos. Maar ook ik was nieuwsgierig naar de haren die op hun borstkassen verschenen, naar de natte dromen die ze wellicht al hadden gehad, naar de kikkers die zich in hun kelen hadden gevestigd en naar de gesprekken die ze nu zonder mij voerden. Maar ik wist dat ik daar niet meer zomaar naar kon vragen. Ik moest in mijn eentje zien om te gaan met de ongemakkelijke situaties die de vrouwelijke hormonen in mij veroorzaakten, terwijl zij buiten mijn bereik om zich ontwikkelden tot jonge mannen met een eigen, mysterieuze seksualiteit.

Dat deze verschillen tussen jongens en meisjes ontstaan, is biologisch bepaald. Dat deze verschillen in eerste instantie om nieuwsgierigheid en ongemak vragen, lijkt me een logisch gevolg. Waar ik meer moeite mee heb zijn de blijvende culturele consequenties van deze biologische veranderingen. De druk me ‘vrouwelijk’ te gedragen voelde als meedoen aan een spel waarvan de spelregels me nooit verteld waren. Mijn moeder had me verteld over verre reizen, mooie boeken en Oosterse wijsheden. Ze was stoerder en sterker dan mijn vader en haar vrouwelijkheid was een minimaal onderdeel van haar dagelijks leven. Ik wendde me daarom tot de populaire cultuur om de definitie van vrouwelijkheid te onderzoeken. Ik leerde van glossy magazines dat je ‘hard-to-get’ moest spelen om de aandacht te krijgen van ‘die ene jongen’. En dat je zeker tien keer per dag moest opdrukken om een ‘beach ready body’ te kunnen krijgen. Van romantische komedies leerde ik dat een metamorfose van het lelijke eendje haar altijd het meeste geluk bracht. En dat ‘bazige’ vrouwen meestal ongelukkig en kinderloos eindigden. Maar hoe hard ik ook probeerde mijn vinger niet op te steken in de klas, de jongen te negeren die ik leuk vond en mijn haren in de krul te zetten voordat ik naar de plaatselijke discotheek ging, ik faalde in alles. Ik ontdekte dat mijn leraren het juist waardeerde als ik mijn mond open trok tijdens de lessen. Dat ‘die ene jongen’ mij helemaal niet durfde te benaderen en blij was dat ik hem nogal onhandig mee uitvroeg. En dat mijn haren alleen maar heel droog en nogal lelijk werden van die krultang waarmee ik mijn oren steeds verbrandde. Mijn ouders, mijn docenten en de jongens in mijn omgeving verlangde van me dat ik mijn eigen keuzes maakte. 

Aan het eind van de middelbare school maakte ik een film waarin het verschil tussen man en vrouw geen rol meer speelde. Omdat mijn buurjongens inmiddels druk bezig waren met het besturen van tractoren, besloot ik zelf zowel de regie te nemen als alle hoofdrollen te spelen. Ik bedacht drie personages die zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen bezaten, het was onduidelijk of ze uiteindelijk ‘man’ of ‘vrouw’ genoemd konden worden. Ik introduceerde mijn personages aan de hand van de (soms niet bestaande) ambities die ze hadden, de muziek die ze mooi vonden en de bezigheden waar ze gelukkig van werden. Ondertussen liepen ze op hakken in hun overall of droegen ze een smoking met sieraden. Iedereen had gezichtshaar maar droeg ook make-up. Het was nogal basaal eigenlijk. Toen ik met de film toelating deed voor de kunstacademie werd er gevraagd naar mijn ‘feministische blik’ als maker. Ik viel stil. Mijn film was een voortzetting van mijn eerdere optredens in het buurthuis, het was gewoon ontstaan zonder invloed van grote denkers of ideeën. Feminisme koppelde ik aan vrouwen die hun BH’s verbrandde en uit principe geen deodorant gebruikte. Aan andere tijden en andere personen. Toch had ik die vraag vanuit mijn perspectief als jonge vrouw kunnen beantwoorden, ook al deed ik dat toen niet. Met de film wilde ik een wereld schetsen waarin mensen worden beschouwd als unieke samenstellingen met eigen karakters, gewoontes en ambities en dus niet gereduceerd worden tot simpelweg ‘vrouw’ of ‘man’. En indirect impliceerde ik daarmee dat ik, als jonge vrouw, gewaardeerd wilde worden om mijn ambities, mijn humor en mijn creativiteit in plaats van mijn verschijning. Dat ik niet als potentieel moeder maar als potentieel werknemer gezien wilde worden. En dat mijn vrouwelijkheid nooit mijn dromen mochten dwarsbomen. Vandaag de dag zou ik acteurs inhuren, een professioneel cameraman vragen en de visagie aan een ander overlaten, maar de boodschap zou hetzelfde zijn.

Waar het in Nederland in de wet beschreven staat dat we allen gelijke rechten hebben, speelt de ongelijkheid zich nog steeds op een subtiel level af. Waar we geloven in de neoliberale gedachte dat zolang je hard werkt en je eigen keuzes maakt je succes behaalt, moeten we ons bewust blijven van de oude patronen en culturele verschillen die dit nog steeds in de weg staan. Ja, zelfs zeventig jaar na de Beauvoir, moeten we het daarom hebben over vrouwen. Ook al is er veel veranderd, we moeten ons blijven beseffen dat we nog steeds rond lopen met ingestampte ideeën over hoe we ons moeten gedragen en wat er van ons verwacht wordt. Zolang we deze verwachtingen uitspreken kunnen we ze bestrijden. Zolang we deze ideeën onderzoeken kunnen we ze weerleggen. Zolang we eerlijk zijn over onze verschillen, kunnen we elkaar aanvullen. We moeten elkaar niet alleen verdragen, maar kritisch bevragen. Niet alleen accepteren, maar volledig respecteren. Niet alleen tolereren, maar blijven stimuleren. In mijn geval werd ik onbewust aangemoedigd een film te maken waar mijn idealen een plek kregen, zelfs zonder ooit nagedacht te hebben over het feminisme. Hopelijk is het scenario van deze film toekomstmuziek en is het mogelijk als gelijken te leven. Maar zolang er door een mannelijke docent naar een feministische verantwoording gevraagd wordt, blijft de relevantie van het onderwerp ‘vrouwen’ bestaan. Dus moeten we wederom een lied componeren, een boek schrijven, een speech geven of de straat op gaan om te laten zien dat het anders kan. Of we dat nou irritant vinden, of niet.