Ronald Reagan 1981

De politicus als leerkracht: over normen, waarden en taalgebruik

5 minutes to read
Column
Jan Blommaert
14/12/2017

Het afgelopen jaar was er een waarin we moesten wennen aan een President van de VS die zich op Twitter geregeld gedroeg als een rasechte troll. Akkoord, Donald Trump had ook voor 2017 een puik palmares in die zin opgebouwd, met behulp van een breed gamma aan publieke scheldsalvo's en obsceniteiten die als retorische acrobatie werden voorgesteld. Maar nu spreekt hij als President-in-functie, niet als kandidaat of - daarvoor - als omstreden mediafiguur. En dat is wennen.

De verruiming van het palet aan publieke communicatievormen biedt politici nieuwe mogelijkheden om zichzelf in het publieke theater een rol aan te meten.

Het fenomeen zal immers niet zo snel weer verdwijnen. Politici die zich, vooral op sociale media, verlagen tot ordinaire ruzies, onverholen dreigementen en platvloerse beledigingen zijn, met de royale hulp van Trump, nu een vast deel geworden van wat we onder het politieke veld begrijpen. Het werkt immers aanstekelijk. De toon en stijl die Trump zo meesterlijk beheerst op Twitter zijn een verruiming van het palet aan publieke communicatievormen die men van politici - hoog en laag - kan verwachten. Die verruiming biedt nieuwe mogelijkheden voor politici om zichzelf in het publieke theater een rol aan te meten, een nieuw type van politieke identiteit die sommigen beter ligt dan het wat suffe "stiff upper lip" en de obligate collegiale hoffelijkheid onder politici. Weg met de hypocrisie, luidt het nu, "benoem de dingen", "zeg waar het op staat". 

Twitter biedt precies voor dit stijlregister een op maat gesneden forum; meer nog: Twitter is het instrument dat die nieuwigheid mogelijk heeft gemaakt. En ook de massamedia zijn goed gediend met die stijlvernieuwing. Weinig zaken zijn zo vaak en intens tot nieuwsfeit verheven in 2017 als het Twitter-taalgebruik van Trump. En ook dichter in de buurt is dat het geval. In België was er onlangs nogal wat media-deining over de manier waarop Staatssecretaris Liesbeth Homans op Twitter tekeer ging tegen een ambtenaar die ze had ontslagen. Het is opvallend hoe deze nieuwe vormen van publiek verbaal geweld (een vorm van geweld dus) weliswaar betreurd worden, maar niet beteugeld. Opiniemakers wijzen op de verruwende effecten ervan, maar de oorzaak van die effecten wordt als een onaangenaam maar onvermijdelijk nieuw sociaal feit beschouwd. Publieke verbale oorlog door politici is het nieuwe normaal geworden.

Politici vormen steeds, op uiteenlopende manieren en met erg verschillende effecten, de identiteiten van hun burgers.

Het is iets wat we vaak over het hoofd zien: politici zijn volksopvoeders. Hun gedrag wordt, net als dat van zo vele andere publieke figuren, bliksemsnel een modelletje voor het gedrag van anderen. Trump - dat weten we - is niet de enige die woest tekeer gaat op Twitter; er is een heel leger dat hem daarin steunt, deels georganiseerd en deels niet georganiseerd, als een normatieve respons vanuit delen van de samenleving. Als de President zoiets mag zeggen, dan mag ik dat ook, zo is de voor de hand liggende redenering. Politici vormen steeds, op uiteenlopende manieren en met erg verschillende effecten, de identiteiten van hun burgers. Hun acties in de publieke ruimte leggen nieuwe ijkpunten vast voor de normen en waarden waarop delen van de samenleving zich legitiem denken te kunnen beroepen, en die delen van de samenleving leren van politici hoe ze met anderen in die samenleving "normaal" kunnen omgaan.

Als we even teruglopen in de geschiedenis van de VS zien we die verschuiving in wat "normaal" is. Amerikaanse Presidenten waren soms vuilgebekt, maar zo lang hun schuttingtaal binnenshuis bleef was er geen vuiltje aan de lucht. Er bestaat een uiterst amusante opname van Lyndon Johnson die, in ongezouten Texaans, een broek bestelt bij zijn kleermaker; publiek was hij echter zelden op een verbale faux pas te betrappen. Richard Nixon kwam in de problemen toen, als deel van het Watergate schandaal, opnamen uit het Witte Huis publiek werden gemaakt waarin hij obsceniteiten en beledigingen uitte. Een President hoorde dat soort dingen niet te zeggen; en erger nog, een President mag publiek niet liegen. Die norm werd dan weer doorbroken door "the Great Communicator" Ronald Reagan: waarheid werd vanaf dan afgewogen tegen a good story, desnoods gebracht met betraande ogen of gebalde vuisten. En George W. Bush hoefde zelfs niet meer coherent te spreken: bij hem draaide het om "straight talking", om het ophouden van een bepaald identiteitsmodel van de "gewone Amerikaan". Het échte praten gebeurde door zijn medewerkers, én door de media.

Hun acties in de publieke ruimte leggen nieuwe ijkpunten vast voor de normen en waarden waarop delen van de samenleving zich legitiem denken te kunnen beroepen.

De kunsthistoricus Robert Hughes merkte in De Klaagcultuur (Balans 1994: 43) het volgende op over Reagan: "Hij liet zijn land in 1988 een stukje dommer achter dan het in 1980 was geweest, en een heel stuk toleranter ten opzichte van leugens, omdat zijn stijl van imago-presentatie het bindweefsel van argumenten tussen ideeën wegsneed en daardoor de ondergang van het denken zelf dichterbij bracht". Dezelfde conclusie kan men in algemene zin ook over Nixon, Bush of Trump maken, en zelfs over de mindere goden in de politiek: ze hebben allemaal een effect op hoe hun samenleving zichzelf verbeeldt en verwoordt, hoe leden ervan relaties met anderen opbouwen en onderhouden, hoe conflicten en meningsverschillen aangepakt worden, en - diep eronder - hoe democratie een concrete gestalte krijgt in het publieke forum. Politici staan wat dat betreft zij aan zij met die andere groepen in de samenleving die met het aanleren van normen en waarden belast zijn. Ze zijn, in de strikte zin van het woord, leerkrachten die dezelfde taken en verantwoordelijkheden hebben als de leerkrachten op school. Die laatsten (laat ons dat even aanstippen) hebben gezag maar nooit macht, en zijn zowel vanuit hun opleiding als vanuit de werkvormen van hun praktijk verplicht constant over die taken en verantwoordelijkheden na te denken en er met grote zorg mee om te springen. Dit zijn beperkingen waarvan politici, als volksopvoeders in de publieke mores, geen last hebben.

Iemand als Trump "maakt school", letterlijk en zonder ironie. Hij schept een leeromgeving waarin de leerkracht duidelijk maakt dat het oké is wanneer je tegenstrevers publiek bestempelt als misdadig, als onderdeurtjes, als lafaards of losers en andere landen kan bedreigen met totale vernietiging of eeuwigdurende verdoemenis. Dit alles maakt hij nu niet enkel politiek denkbaar, maar ook publiek zegbaar, zonder dat het belachelijk of waanzinnig klinkt. Het klinkt minstens voor een belangrijk segment van de samenleving simpelweg "normaal". 

Dat zijn wezenlijke leereffecten, veel krachtiger dan wat eender welke leerkracht of docent in het leslokaal ooit als ambitie kan koesteren. Wie zich zorgen maakt over "indoctrinatie" vanwege "linkse" of "rechtse" docenten in leslokalen mag dus nù wakker worden: de leeromgevingen voor leden van hedendaagse samenlevingen zijn veel groter, intenser en en rijker dan wat het leslokaal te bieden heeft. Wie zich zorgen maakt over wat die leden leren, moet dan ook kijken naar al wie hen dingen aanleert, en alle manieren waarop die dingen worden aangeleerd. Dat, dames en heren, is één van de grote lessen van 2017.