Over de Kinderboekenweek en onverwachte vriendschappen

9 minutes to read
Column
Sara Van den Bossche
07/12/2018

Met de uitnodigende slogan ‘Kom erbij!’, die het thema vriendschap vergezelt, zet de Kinderboekenweek jeugdliteratuur volop in de schijnwerpers. Vriendschap is een motief dat in veel jeugdboeken terugkomt. In deze bijdrage zetten we bijzondere vrienden op een rijtje. Hun vriendschappelijke band is onverwacht, maar desondanks vanzelfsprekend, een teken van een open blik.

Vorige week nog bracht schrijver Pim Lammers in Een Vandaag op Radio 1 een pleidooi voor meer diversiteit – in de breedste zin van het woord – in kinderboeken. Met de voorbeelden in dit stuk willen we laten zien dat die verscheidenheid in de jeugdliteratuur zomaar voor het oprapen ligt. Wie voorbij de geijkte vriendschappen kijkt en de onvoorziene verbonden naar waarde weet te schatten ziet ongetwijfeld dat de jeugdliteratuur al veel meer diversiteit herbergt dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.

De kinderboekenweek

Dat we midden in de jaarlijkse Kinderboekenweek zitten, zal vermoedelijk niemand in Nederland ontgaan zijn. Deze ‘week’ duurt feitelijk tien dagen. Officieel begon ze op 3 oktober, maar het startsein werd de dag ervoor al gegeven met het traditionele kinderboekenbal en de uitreiking van de Gouden Griffel. De afsluiting is op zondag 14 oktober met de NS Kinderboekenruil op de stations Utrecht en Den Haag Centraal.

De Kinderboekenweek is een initiatief van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB). In 1954 organiseerde de CPNB de eerste Kinderboekenweek met als doel aandacht te genereren voor kinderboeken en kinderen (weer) enthousiast te maken voor lezen. Sindsdien gonst het ieder jaar in de eerste helft van oktober van de activiteiten rond het kinderboek. Het is bovendien de enige periode van het jaar dat er relatief veel media-aandacht is voor kinderliteratuur. Daarna is het meestal weer elf maanden oorverdovend stil.

Vriendschappen die niet voor de hand liggen, hebben een bijzonder potentieel om de blik te verruimen

Om structuur aan te brengen in de activiteiten op scholen, bibliotheken en boekhandels, kiest de CPNB ieder jaar een overkoepelend thema. Als belangenbehartiger van de uitgevers neemt de Stichting een onderwerp dat ruimte biedt om zoveel mogelijk boeken onder de aandacht te brengen. Zo passeerden de afgelopen jaren thema’s als griezelen, helden, dieren, familie, sport en spel, natuur, wetenschap en techniek, en muziek de revue.

Dit jaar is het thema dus vriendschap en dat is er een dat zich leent voor tal van invalshoeken, zoals hoe je vrienden maakt, vriendschap door dik en dun, valse vriendschap, fantasievriendjes, en vriendschap met dieren. Een perspectief dat wellicht minder voor zich spreekt, is de onverwachte vriendschap, die de blik kan verruimen.

Vriendschap en vriendschap is twee

In de jeugdliteratuur wemelt het van de onvoorziene vriendschapsrelaties. Een van de oervoorbeelden van een verbond uit verrassende hoek is dat tussen weeskind Sophie en de Grote Vriendelijke Reus, algemeen bekend als de GVR. De kameraadschap uit het gelijknamige boek van Roald Dahl uit 1982 is zodanig iconisch dat Jaap Friso en Bas Maliepaard, twee gevestigde waarden in de wereld van de jeugdliteratuurkritiek, er hun kersverse podcast naar vernoemden.

Friso en Maliepaard lanceerden hun podcast niet toevallig in de aanloop naar de Kinderboekenweek, om het gebrek aan belangstelling aan de kaak te stellen. Jeugdboeken belanden maar al te vaak in de marge en moeten vechten om aandacht in de reguliere media, zo stellen ze. Dat Bart Moeyaert dezer dagen op Facebook kan melden dat hij met zijn nieuwste roman de voorpagina’s van zowel Het Parool als De Standaard haalt, is een uitzondering die de regel bevestigt. De expliciete doelstelling van De Grote Vriendelijke Podcast is dan ook om de jeugdliteratuur het hele jaar door, maand na maand, in de kijker te zetten. De reden voor referentie naar de Grote Vriendelijke Reus, zo legt Friso in de eerste aflevering uit, is dat de verwijzing meteen aan jeugdliteratuur doet denken.

Roald Dahls GVR en Sophie

De band tussen de GVR en de kleine Sophie belichaamt het patroon van onwaarschijnlijke vriendschappen, dat tegelijk voorspelbaar en grillig is. Een terugkerend gegeven in jeugdboeken is dat kinderen met zowat alles en iedereen bevriend kunnen worden. Dit geldt ook voor personages zoals dieren of speelgoedfiguren, die symbool staan voor jeugd en onschuld. Dergelijke jonge hoofdpersonages laten zich – in tegenstelling tot minder ruimdenkende of ronduit bekrompen volwassen verhaalfiguren – niet afschrikken door het idee van een onwaarschijnlijke kameraadschap. Ze kunnen bijna zonder uitzondering de vreemdste, ondenkbaarste kloven overbruggen – in die zin is het patroon dus enigszins voorspelbaar. Dat die kameraadschappen de vreemdste, ondenkbaarste vormen kunnen aannemen, maakt de mal dan weer onvoorspelbaar.

Jonge hoofdpersonages laten zich niet afschrikken door het idee van een onwaarschijnlijke kameraadschap

In The Iron Man (1968) van Ted Hughes, bijvoorbeeld, vat de jonge boerenzoon Hogarth een onwaarschijnlijke genegenheid op voor een reusachtige ijzeren robot die als oorlogswapen bedoeld was. Ook de connectie tussen Vos en Haas, hoofdrolspelers in de populaire prentenboekenreeks van Sylvia Vanden Heede, is omwille van de combinatie roofdier en prooi niet vanzelfsprekend. Net zo’n onmogelijke vriendschap is die tussen Wolf en Lam in het gelijknamige boek van Ben Kuipers (2001). Anders dan de ekster (en de lezer) verwacht, eet Wolf Lam niet op. Ze zijn vrienden die elkaar vasthouden wanneer het stormt, zodat ze niet kunnen wegwaaien.

De dieren die Toon Tellegen in zijn verhalen over het leven in het bos samenbrengt, liggen evenmin voor de hand. In Misschien wisten zij alles (2003) keuvelt de eekhoorn gezellig met de mier, of leidt een ontmoeting met de zwaluw tot filosofische discussies. Tot zijn grote frustratie kan de eekhoorn zich niet meer herinneren aan welk woord hij nu ook al weer dacht:

"‘O,’ zei de zwaluw, dat gebeurt mij zo vaak. Ik ben vanochtend nog het woord ik vergeten. En gisteren ontschoot mij zo maar mijn naam.' ‘Zwaluw,’ zei de eekhoorn. ‘Ja, dat weet ik nu ook wel weer,’ zei de zwaluw. ‘Maar gisteren wist ik echt niet wie ik was. […] De zwaluw steeg op en vloog langzaam weg. Na een paar vleugelslagen draaide hij zich om en riep: ‘Waar vlieg ik ook maar weer heen?’ ‘Naar de verte!’ riep de eekhoorn. ‘O dank je wel,’ riep de zwaluw, ‘dank je wel!’ De zwaluw werd snel kleiner, terwijl de verte zich oneindig ver uitstrekte en glinsterde en hier en daar ook trilde en onbereikbaar leek. Dát woord zal ik nooit vergeten, dacht de eekhoorn. De verte." (Tellegen 2003, pp. 113-114) 

Zelfs in een existentiële crisis, wanneer ze niet meer weten wie ze zijn, kunnen deze vreemde vrienden op elkaar rekenen.

Vreemde vrienden

De vriendschap tussen mens en dier komt misschien nog wel vaker voor in kinderboeken dan die tussen dieren onderling. Vaak gaat het dan om een hechte band tussen de hoofdpersonages en hun huisdier, maar een enkele keer is een niet zo voor de hand liggend dier de beste kameraad van de protagonist.

Polleke in de Polleke-serie (1999-2001) van Guus Kuijer heeft het niet gemakkelijk met haar wispelturige moeder en haar verslaafde vader. Ze voelt zich het meest op haar gemak bij haar opa en oma op het platteland en bij de koeien die grazen in de wei bij de boerderij. Wanneer ze van haar grootouders haar eigen kalf krijgt, is ze helemaal verkocht. Polleke vernoemt het kalf naar zichzelf. Omdat ze dichter wil worden, verwoordt ze haar verbondenheid met het dier in een gedicht: "Een keer Polleke is één Polleke / twee keer Polleke is twee Pollekes / voor altijd samen / amen." (Kuijer 2003/2009, p. 51) Het kalf is Pollekes steun en toeverlaat wanneer het haar thuis allemaal even te veel wordt.

Net zo onvoorzien als de affectie tussen een meisje en een kalf is de band die Thomas, de hoofdfiguur uit Het boek van alle dingen (2004) van Kuijer, smeedt met de buurvrouw, mevrouw Van Amersfoort, die de schrik van de kinderen in de straat is: 

"Naast Thomas woonde een oude mevrouw van wie alle kinderen in de buurt wisten dat ze een heks was. Ze woonde alleen en haar jurken waren zwart. Ze droeg haar haar gebundeld in een grijze knot en ze had twee zwarte katten. Een keer per week deed ze boodschappen, maar alle andere dagen bleef ze thuis om haar toverdranken te brouwen. Omdat ze een heks was, werd ze gepest. Kinderen bonkten op haar ramen of gooiden smerige dingen door haar brievenbus." (Kuijer 2004/2015, p. 19) 

De buurvrouw is het slachtoffer van pesterijen, omdat ze aan het stereotiepe beeld van een toverkol voldoet. Aanvankelijk is Thomas er net zozeer van overtuigd dat ze een heks is, maar gaandeweg komen er barsten in dat beeld: "Nu wist Thomas zeker dat het waar was. Dit was het huis van een heks. Maar hij wist niet zeker of het een eng huis was van een enge heks. Dat was afwachten." (Kuijer 2004/2015, p. 22)

Mevrouw Van Amersfoort doet Thomas inzien dat de dingen niet altijd zijn wat ze lijken, een besef dat zijn zelfvertrouwen doet groeien: "‘Je bent vandaag heel dapper geweest,’ zei ze. ‘Je bent binnengekomen terwijl alle kinderen zeggen dat ik een heks ben.’ Thomas durfde haar niet aan te kijken. Ze wist het! Ze zei het zomaar, recht voor zijn raap. […] ‘Zul je niet meer bang zijn?’ ‘Nee,’ zei Thomas. ‘In ieder geval niet voor heksen.’" (Kuijer 2004/2015, p. 26) Mevrouw Van Amersfoort laat Thomas bovendien kennismaken met de geneugten van klassieke muziek en onsterfelijke jeugdboeken. Ze smeden een band door het lezen van Emiel en zijn detectives (1929) van Erich Kästner en Alleen op de wereld (1878) van Hector Malot, dat – toeval of niet – ook over een onwaarschijnlijke amicale relatie gaat, tussen de thuisloze Remi en een zwerver.

Net zoals Thomas is ook Jesse uit En toen kwamen de monsters (2017) van Harmen van Straaten een dappere hoofdpersoon. Zoals de titel doet vermoeden, gaat Jesse een grensverleggende vriendschapsband aan met een monster, en dit tegen alle verwachtingen in, want hij is heel erg bang voor de monsters die zich schuilhouden op het autokerkhof naast zijn huis. Jesse is echter niet de enige die in angst leeft, zo blijkt, want de monsters waarvan sprake is, hebben op hun beurt schrik van ‘Beukers’, wraaklustige wangestalten die hen belagen.

"En toen kwamen de monsters" door Harmen van Straaten

Het vertelstandpunt in En toen kwamen de monsters ligt nu eens bij Jesse, dan weer bij Grib, het jongste van de autokerkhofmonsters. Door de beide perspectieven af te wisselen, laat de tekst zien dat inzicht in de denkwijze van ‘anderen’ verhelderend kan zijn. Uiteindelijk zijn de jongen en het kleine monster op elkaar aangewezen. Een op het eerste gezicht spannende confrontatie tussen de twee wordt, dankzij een opeenstapeling van komische misverstanden, het startpunt van een onvoorzien pact.

Op een ochtend vindt Jesse Grib in zijn kleerkast. Het monster ziet hem aan voor een Beuker en komt langzaamaan tot het besef dat Jesse bang van hem is:

"Hij gaat me opeten! denkt Jesse. Hij gilt het uit. ‘Niet opeten, alsjeblieft niet opeten! Blijf van mijn voeten af!’ […] Opeten? denkt Grib. Hoe komt die Beuker daar nu bij? Hij zou toch moeten weten dat monsters van de lucht leven en helemaal niet hoeven te eten. Enkel een beetje water zo af en toe. Net als planten. De Beuker roept nu dat hij alles voor hem zal doen als hij hem met rust laat. Grib snapt er helemaal niets van. Dit is een rare Beuker. Heel anders dan de Beukers uit de verhalen die hij heeft gehoord. […] Dit is geen boze Beuker. Maar een bange Beuker." (Van Straaten 2017, pp. 40-41) 

Op zijn beurt begrijpt Jesse na een tijdje dat dit gruwelijke monster hem niet als een lekker hapje ziet, maar juist als een bedreiging.      

Onbekend is onbemind, zo blijkt nog maar eens. Vooroordelen die gebaseerd zijn op onwetendheid zijn vaak ongegrond. Door empathie voor elkaar op te brengen, zien Jesse en Grib in dat ze geen tegenstanders maar bondgenoten zijn. De andere is niet degene van wie ze schrik moeten hebben. Zo slaan de onverwachte medestanders de handen in elkaar en zetten ze er de beuk in. Samen gaan ze met succes de strijd aan tegen de echte onluststokers, de Beukers.

Tegen het hokjesdenken 

Sophie en de GVR, Vos en Haas, Polleke en haar kalf, Thomas en mevrouw Van Amersfoort, Jesse en het monster Grib: stuk voor stuk vestigen deze niet-zo-vanzelfsprekende paren de aandacht op de wanden van de zorgvuldig getimmerde hokjes waarin we zo graag denken. Onverwachte vriendschapsrelaties stellen sociale normen ter discussie. Zo verruimen ze mogelijk de blik van de lezers. Vanzelfsprekend zijn deze banden misschien niet voor iedereen, maar in veel jeugdboeken zijn ze dat net wel. Daar kijkt niemand ervan op dat een jongetje en een heks of een roofdier en diens prooi vriendschap bij elkaar vinden. Zulke ongerijmde bondgenootschappen maken de jeugdliteratuur kleurrijk en divers.