Winner Teaching innovation Award 2017

De vermoeide hyperbool en het einde van de beschaving

Het blasé van de geformatteerde verontwaardiging

5 minutes to read
Column
Jan Blommaert
03/10/2017

Begin september 2017 dreef er een klein berichtje voorbij in de Belgische pers. Uit een reeks gepubliceerde cijfers bleek dat negen Vlamingen al veertig jaar lang een werkloosheidsuitkering ontvangen. Negen mensen, in een populatie van ruim 200.000 werklozen: dat valt best mee. In onze nieuwe media-economie is niets evenwel écht klein. Meteen brak er een schermutseling uit op de sociale media, waarin dit feit omschreven werd met termen als "hallicunant", "onbeschrijflijk", "verbijsterend" en zo meer. Het voorval werd ook prompt veralgemeend: "dit kan enkel in België", "geen wonder dat er geen solidariteit meer is", "het profitariaat regeert", en ga zo maar door. In een klimaat waarin de motor van de economie blijft sputteren, waarin iedereen de broeksriem aanhaalt en waarin het "activeren" van werklozen een grote politieke prioriteit is, werd dit onbeduidende cijfertje groot nieuws en het doelwit van een bescheiden golf van morele paniek.

In de publieke debatten is de hyperbool het nieuwe normaal geworden.

Ik vond het voorval tekenend. Het illustreert immers een steeds sterker opvallend fenomeen in de publieke communicatie, en dit fenomeen heeft twee dimensies. Eén, de verkleining van de thema's waarover men publiek debat aan gaat; en twee, een uitgesproken voorkeur voor het gebruik van straffe taal en overdrijving: superlatieven en hyperbolen. Samen genomen: men bespreekt piepkleine voorvallen met de sterkst mogelijke termen. Het minuscule karakter van het besproken stukje realiteit wordt op die manier apocalyptische proporties aangemeten, tot het de hele publieke ruimte vult, daarin elke grein energie opzuigt, en het debatterende publiek tot (en voorbij) de grenzen van de razernij brengt. 

Vandaag kan men zowat alles bestempelen als "hallucinant", "schandalig" of "verbijsterend", als "knettergek", "krankzinnig" of "geen woorden voor", als "misselijk makend", "weerzinwekkend", "catastrofaal" of "crimineel" - ook dat wat statistische verwaarloosbaar is, volkomen uitzonderlijk is, nauwelijks een effect heeft op de levens van de meerderheid, of even snel verdwijnt als "probleem" als het is opgedoken. En de gradaties van superlatieven-bovenop-superlatieven lijken geen grenzen meer te kennen. Zeg niet gewoon "nonsens", wel "complete nonsens", en "onbegrijpelijk" is "volstrekt onbegrijpelijk". Een standpunt of maatregel kan je best voorstellen (wanneer je 'm niet lust) als een "fundamentele aanslag" op onze waarden en normen, als een "ongeziene" afwijking van hoe het hoort, zelfs als het "einde van de democratie", "van de rechtsstaat", van "onze vrijheid" of van "de Westerse cultuur".  Men ziet nogal snel een "heksenjacht" of een nieuwe "-gate", en onze wereld lijkt bezaaid met "doofpotten" en "taboes".

In de publieke debatten is de hyperbool het nieuwe normaal geworden, en men ziet dit als een element van de toenemende polarisering en verharding van het publieke debat, deels te wijten aan de toenemende "formattering" van politieke communicatie op sociale media zoals Twitter. Men moet "clickbait" produceren, en korte en heel straffe uitspraken zijn daarbij regelrechte winners - iets wat de heer Trump bijzonder goed begrepen lijkt te hebben. En die formattering heeft verregaande politieke gevolgen.

Een probleem vereist een oplossing gebracht door een probleemoplosser; maar een catastrofe vereist een redding gebracht door een held - zo zitten frames in mekaar.

Het blijft immers niet bij dat ene woord, want het woord zet een frame in actie: van zodra een feit op een bepaalde manier is omschreven schept het een eigen logica van denken, spreken en handelen. Wanneer kleinigheden als "hallucinant" omschreven zijn, of als "fundamentele aanslagen op onze democratie", dan verwachten we van de bestuurders boven alles dat ze "kordaat" optreden, "radicaal komaf maken" met die wantoestanden, die zooi "een halt toe roepen" of "het moeras droogleggen". Er moet "snel en doortastend" opgetreden worden want het - nu plots reusachtige - probleem moet "voor eens en altijd" de wereld uit. Een "probleem" vereist een "oplossing" gebracht door een "probleemoplosser"; maar een "catastrofe" vereist een "redding" gebracht door een "held" - zo zitten frames in mekaar. En bestuurders vinden het wellicht leuker als held bestempeld te worden, dan als eenvoudig probleemoplosser. 

Die heldenrol is makkelijker te verwerven wanneer het gaat om kleinigheden die opgeblazen zijn en uitzonderingen die als regel kunnen worden voorgesteld, dan wanneer het gaat om grote, structurele en complexe kwesties. Je bent sneller een held wanneer je enkele dozijnen "criminele illegalen" op de meest "kordate" wijze het land uitzet, dan wanneer je de economische conjunctuur moet ombuigen. Het ene kan je in één spectaculaire beweging voor het oog van de camera's realiseren, terwijl het andere moet gebeuren door jarenlang zwoegen en ploegen in eindeloze onderhandelingen, waarvan de resultaten wellicht zelfs door de politieke opvolgers zullen worden geoogst. Wie de communicatie volgt van de Britse regering ziet haast dagelijks illustraties van dit patroon: over Brexit (een héél grote kwestie) spreekt men zo weinig en zo kort mogelijk, en in de vaagste termen, terwijl het retorische vuurwerk gereserveerd blijft voor zaken van veel geringer belang en impact.

De inflatie van hyperbolen is best boeiend, maar ook verontrustend. Hyperbolen zijn "gradatiewoorden", en zoals de Amerikaanse linguïst Dwight Bolinger al schreef in 1972, kan men die gradatie enkel maken wanneer er een neutraal ijkpunt is, een "norm" die men als nulpunt ervaart. Men kan maar snappen wat "prachtig" betekent wanneer men het kan afwegen tegen het meer neutrale "mooi", net zoals men de betekenis van "catastrofe" maar snapt wanneer men het plaatst in een rijtje met daarin "probleem", "ramp" en andere verwante woorden. Onze taal heeft dat soort gradatiewoorden net om die schaal van ervaring weer te geven: we moeten doorheen onze taal in staat zijn om het onderscheid te maken tussen wat een gewoon "probleem" is, en wat een veel ernstiger "catastrofe" is, tussen wat "vervelend" is en wat "ondraaglijk" is, wat "opmerkelijk" is en "hallucinant". Wat we nu meemaken is een verschuiving van die ijkpunten. Niets is nog een normaal probleem, niets is nog een kleinigheid - de norm is "catastrofe" en "fundamentele aanslag" geworden. 

Het onderscheid tussen wat superlatieven verdient en wat niet is danig vervaagd op die manier. En de vraag rijst hoe we échte catastrofen zullen bespreken wanneer die opduiken? Onze blik op de realiteit wordt nog wat meer vertroebeld, telkens we een hyperbool gebruiken voor een futiliteit, voor een uitzondering die geen regel is, voor een best netjes beheersbaar probleem. We worden, om de oude term van Georg Simmel te gebruiken, blasé in onze houding tegenover wat ons omringt. Want wanneer we alles omschrijven als extreem, radicaal, of fundamenteel, dan is eigenlijk niets meer echt extreem, radicaal en fundamenteel. Dat gradatie-onderscheid, dat een kritische sociale, culturele en politieke competentie is, wordt dan vervangen door een eindeloze sequens van hypes, waarin we de belangrijke van de onbelangrijke niet meer kunnen onderscheiden. Verontwaardiging en woede zijn dingen die men nu eenmaal selectief moet kunnen inzetten. Doen we dat niet, dan zijn we in feite nooit meer verontwaardigd en woedend.

Wanneer we alles omschrijven als extreem, radicaal, of fundamenteel, dan is eigenlijk niets meer echt extreem, radicaal en fundamenteel.

In een essay getiteld Revolution and Sex besprak de Britse historicus Eric Hobsbawm de zogenaamde sexuele revolutie van de late jaren 1960. Hij vroeg zich af hoe een ouder wordende Che Guevara zou hebben gereageerd op zijn posthume status van posterboy; en hij concludeerde nuchter dat wanneer er heel veel stampei wordt gemaakt over kleinigheden, je er donder kan op zeggen dat de grote dingen niet bewegen. In 1968 werd de bourgeoisie weliswaar gechoqueerd, maar ze werd niet omver geworpen. Wanneer politieke miniatuurtjes met behulp van een vracht hyperbolen het publieke debat domineren, dan mag je ook vanavond rustig slapen gaan. De grote kwesties blijven immers onaangeroerd, en we hebben ons beste kruit verschoten in het beschouwen van "hallucinante", "compleet belachelijke", "onvoorstelbare" en "schandalige" faits divers