Anil Ramdas Menno ter Braak

Anil Ramdas en Menno ter Braak

De overeenkomsten tussen "Badal" en "Het nationaal-socialisme als rancuneleer".

7 minutes to read
Article
Lotte van den Broek
16/02/2017

 

Anil Ramdas refereert in zijn roman Badal regelmatig aan de modernistische schrijver Menno ter Braak. Ook in interviews stelde Ramdas dat Ter Braak een groot voorbeeld voor hem was. Maar op welke wijze is Ramdas eigenlijk door Ter Braak geïnspireerd, en wat zijn de overeenkomsten tussen de werken van de twee schrijvers? 

 

Essayistisch en maatschappijkritisch

Badal vertelt het verhaal van de publieke intellectueel Harry Badal. Zijn leven wordt aan de hand van flashbacks besproken, waarin de opkomst en afgang van zijn journalistieke carrière, zijn alcoholisme en zijn ontheemding in de wereld centraal staan. Het personage Badal staat bekend om de essayistische, maatschappijkritische inslag die zijn journalistieke stukken kenmerken, en deze maatschappijkritiek komt ook uitgebreid aan bod in zijn gesprekken en gedachteweergaven in het boek (Ramdas, 2011).

 

Zo ageert hij tegen de opkomst van het populisme en de daarmee toenemende polarisatie. Hij komt zelf ook regelmatig in aanraking met racisme, wat zijn ontheemde gevoel versterkt. Dit zijn dan ook de centrale thema’s in Ramdas' roman. Zo heeft Badal een grote afkeer tegen de opkomst van populistische partijen als de LPF en PVV. Om een tegengeluid te bieden aan deze populistische geluiden in de Nederlandse politiek, start Badal met het schrijven van een essay over white trash, de PVV-stemmers (Ramdas, 2011).

“Volgens Badal was er nog een derde manier om je ongenoegen te uiten, naast vuisten en voeten. Je hersens. Essays, columns, ingezonden stukken in kranten.” 

Als het personage Badal het schrijven van het essay over white trash aanhaalt, wordt Menno ter Braak meerdere keren genoemd. Ter Braak is een modernistische, individualistische schrijver uit de jaren ’20 en ‘30. Zijn werk heeft een sterk essayistische en maatschappijkritische signatuur, waarin veel thema’s over de literatuur en politiek aan bod komen. Door de opkomst van Hitler en het nationaalsocialisme vernauwde het politieke thema zich; waar hij zich eerst afzijdig wilde houden van het werkelijk bedrijven van politiek, kon hij nu niet langer toekijken hoe het nationaalsocialisme steeds groter werd. Als tegenbeweging richtte hij daarom het Comité van waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen op, waarvan de leden door middel van het schrijven van stukken “geestelijke weerbaarheid” moesten bieden om zo de “geestelijke vrijheid” te verdedigen (Comité van waakzaamheid, 1936).

Het personage Badal vereenzelvigt zich met Ter Braaks visie over de opkomst van het nationaalsocialisme en vergelijkt Ter Braaks uiteenzetting over het politiek klimaat in 1937 met het politiek klimaat in 2010. Zo probeert hij aan te tonen dat Ter Braaks visie nog steeds actueel is. Ook deelt hij de zorgen die Ter Braak destijds had; Badal heeft het gevoel in 2010 in dezelfde politieke situatie te zijn beland als Ter Braak in 1937. Zowel de personage Badal als Menno ter Braak proberen dus op deze manier maatschappijkritiek te leveren en door te schrijven iets te veranderen in de wereld.

“Daarom moeten wij onze krachten verzamelen, niet als politieke groepering, maar als een concentratie van alle intellectuelen tot geestelijke weerbaarheid” 

 

Ressentiment en rancune

In Badal wordt één specifiek essay van Ter Braak meermaals aangehaald: Het nationaal-socialisme als rancuneleer. In dit essay, geschreven aan de leden van het Comité van waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen, zet Ter Braak uiteen dat ressentiment (haat) en rancune onlosmakelijk verbonden zijn met onze cultuur en legt hij uit hoe dit in relatie staat met het gelijkheidsbeginsel van de democratie (Ter Braak, 1937).

Dit gelijkheidsbeginsel is namelijk een paradox: als je iedereen dezelfde rechten geeft, zullen mensen alsnog niet gelijk zijn, omdat er verschillen zijn in intelligentie en capaciteiten, waardoor diezelfde rechten op een andere manier worden ingevuld. Daarbij zullen de mensen die het goed voor elkaar hebben minder bereid zijn hun fijne leven op te geven om zo de mensen die minder bedeeld zijn te helpen. Ter Braak stelt dat dit wel moet leiden tot ressentiment en rancune onder de minder bedeelde groepen. Dit werkt het nationaalsocialisme weer in de hand, omdat zij appelleren aan dit gevoel van ressentiment en rancune (Ter Braak, 1937).

Na de eerste wereldoorlog bleef Duitsland berooid achter, waardoor de Duitse middenstand snel verarmde. Hitler gebruikte de Joden, vaak succesvolle ondernemers, als zondebok en gaf hen de schuld van de economische crisis en het verlies van de Eerste Wereldoorlog. Op deze manier creëerde hij een gevoel van rancune en ressentiment bij de Duitse middenstand. Deze rancune werd weer gevoed door te propageren met een vooruitzicht van een betere economie als de Joden verbannen zouden worden uit de samenleving.

“Het is de gelijkheid als ideaal, die, gegeven de biologische en sociologische onbestaanbaarheid van gelijke menschen, de rancune promoveert tot een macht van den eersten rang in de samenleving” 

Ramdas’ Badal sluit hier bij het standpunt van Ter Braak aan. Ramdas stelt in Badal namelijk dat de reden voor de populariteit van zowel het nationaalsocialisme als het nationaalpopulisme stoelt op de ontevredenheid die heerst bij de minder bedeelde groepen, de zogenoemde white trash. Wilders voedt deze ontevredenheid door de moslims als zondebok te nemen en te stellen dat het beter zou gaan met Nederland als de moslims weg zouden zijn.

Badal parafraseert Ter Braak veelvuldig en benadrukt daarmee dat rancune altijd aanwezig zal zijn in de wereld, omdat er altijd mensen zijn “die liever willen haten dan verdragen” (Ramdas, 2011). Ook halen beide auteurs aan dat hetgeen wat gehaat wordt (joden of allochtonen) niet het belangrijkste is, omdat dit door de geschiedenis heen verandert, maar dat het gaat om het haten zelf. Badal onderbouwt zijn standpunten door ze te koppelen aan de standpunten van een gevestigde naam als Ter Braak, om zo zijn eigen standpunten kracht bij te zetten en te verantwoorden.

 

Critici

Ramdas en Ter Braak dachten niet alleen hetzelfde over het ontstaan van rancune en ressentiment, maar hadden beiden ook een duidelijke mening over de rol van critici in deze kwestie. Ter Braak haalt aan dat critici volgens hem te redelijk zijn, omdat ze zich niet direct afkeren van het nationaalsocialisme, maar op zoek gaan naar de rationele fundamenten die de standpunten van nationaalsocialisten kunnen verklaren. Ter Braak betoogt daarbij dat dit überhaupt niet te verklaren is; het nationaalsocialisme wil volgens hem helemaal niets doen aan de misstanden, omdat ze de haat en onvrede nodig hebben om populair te blijven (Ter Braak, 1937).

Dit laatste komt in Badal niet zo expliciet naar voren, maar Ramdas schrijft wel dat Badal zich zorgen maakte om de intellectuelen die proberen “begrip op te brengen voor de blanke racisten in de arme wijken” of, nog erger, “racisme als oorzaak te ontkennen en alle onrecht te zien vanuit het klassenvraagstuk”. Deze laconieke houding zou volgens het personage Badal leiden tot het bagatelliseren van het kwaad. Hij wil de intellectueel zijn die de rest wakker schudt, degene die wél iets wil doen aan de misstanden en hij wil degene zijn die aantoont dat rancune niet rationeel te verklaren valt. In het verhaal is te merken dat zijn omgeving schrikt van de heftige toon waarin Badal spreekt als hij het over het essay heeft. Door Ter Braak te gebruiken probeert hij hen in te laten zien dat dit essay, en de bijbehorende felle toon, juist nodig is om mensen wakker te schudden (Ramdas, 2011).

“Wat Badal het gevaarlijkst vond aan de laconieke en cynische intellectuelen, was de terugkeer van de banaliteit van het kwaad”. 

Ramdas heeft dit essay bewust gebruikt om de relatie tussen de visies op maatschappelijk en politiek niveau van Badal en Ter Braak aan te tonen. Ter Braak betoogde in zijn essay uit 1937 al dat rancune en ressentiment onlosmakelijk verbonden zijn met de democratie en dat rancune en ressentiment ook van alle tijden zijn. Het feit dat Ter Braaks essay 75 jaar later nogmaals is gebruikt om kritiek te leveren op de huidige maatschappelijke en politieke situatie, bevestigt dat. Het is ook niet toevallig dat Ramdas juist Ter Braak heeft gebruikt om Badals visie te onderbouwen; Ter Braak geldt als één van de grote en gezaghebbende Nederlandse schrijvers en essayisten. Hij heeft als één van de weinigen het gevaar van het nationaalsocialisme zo vroeg heeft voorspeld én de laconieke houding ten opzichte van dit nationaalsocialisme gelaakt. Ramdas heeft hier dankbaar gebruik van gemaakt om zo op eenzelfde manier het gevaar van het nationaalpopulisme aan te kunnen tonen en kritiek te kunnen leveren op de laconieke houding over het nationaalpopulisme, die er ook nu weer is.

 

Zelfmoord

Ten slotte wil ik de meest opvallende overeenkomst niet uit de weg gaan, al heeft die niet direct met de werken van beide auteurs te maken; zowel Ter Braak, Badal als Ramdas plegen zelfmoord. Ter Braaks zelfgekozen dood is ingegeven door de Duitse inval in Nederland en is van te voren aangekondigd. Later is zijn dood ook bijna een “morele norm op zichzelf” geworden, doordat zijn zelfmoord sterk politiek gemotiveerd is. Badal pleegt daarentegen bijna “per ongeluk” zelfmoord. Hij bevindt zich in een roes van alcohol en lijkt volledig gedesoriënteerd als hij de zee inloopt. Zijn zelfmoord lijkt dan ook niet politiek gemotiveerd, maar hangt samen met een combinatie van factoren; zijn huwelijk is voorbij en hij voelt zich ontheemd, waarbij zijn alcoholmisbruik hem de das om doet.

Zou het dus kunnen zijn dat de zelfmoord van Ter Braak een soort artistieke inspiratie is geweest voor de zelfmoord die Badal pleegt? Ramdas voert Ter Braak namelijk op als inspiratiebron voor het personage Badal. Op het eerste gezicht lijkt de inspiratie voornamelijk voor te komen in de maatschappijkritische visie die ze beiden delen. Ramdas heeft echter niet alleen inspiratie gehaald uit zijn werken, maar zeer waarschijnlijk ook uit zijn zelfverkozen dood. Dit zou de overeenkomsten tussen het personage Badal en zijn held Ter Braak nóg sterker maken. Mogelijk heeft de roman Badal ook gediend als “artistieke aankondiging” van de dood van Ramdas zelf. 

Het is duidelijk dat Ter Braak gold als een grote inspiratiebron voor Ramdas. Zowel op politiek, maatschappijkritisch als literair niveau lagen ze op één lijn en de visie van zowel Badal als Ramdas zelf is te herleiden tot de visie van Ter Braak. Dit alles maakt het ook extra treurig dat deze intellectuelen besloten hebben om zelf uit het leven te stappen.

 

Referenties

Comité van waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen (1936). Comité van waakzaamheid, Amsterdam.

Ramdas, A. (2011). Badal. Amsterdam: De Bezige Bij.  

Ter Braak, M. (1937). Het nationaal-socialisme als rancuneleer. Van Gorcum & Comp., Assen.