Femke Halsema macht en verbeelding

Verbeelding en digitalisering: Odile Heynders in dialoog met Femke Halsema

10 minutes to read
Article
Odile Heynders
08/11/2018

In het essay Macht en verbeelding (2018) geschreven voor de ‘maand van de filosofie’ analyseert Femke Halsema, publicist, bestuurder en voormalig politica - van 1998 tot 2011 was zij leider van Groen Links - de politieke stand van zaken in Nederland. Zij stelt vast dat er behoefte is aan een terugkeer van progressieve verbeelding en hoop. Haar argumenten zijn helder en overtuigend, maar, zo betoogt Odile Heynders in deze reactie, gaan niet ver genoeg waar het de verbeelding betreft en de gedigitaliseerde publieke ruimte.

Macht en Verbeelding

In een zesdelig essay biedt Halsema een perspectief op de ontwikkeling, praktijk en dominantie van het neoliberale denken en de technocratische politiek in Nederland in de afgelopen vijftig jaar, en stelt zij vast dat progressiviteit, zoals die bestond tussen 1965 en 1977, in een kwaad daglicht is komen te staan. In lijn met opvattingen van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty, beschouwt Halsema progressiviteit als ‘een geestesgesteldheid, een onophoudelijk en hoopvol streven naar een rechtvaardiger, eerlijker en open samenleving, in het besef dat deze zich nooit volledig zal verwerkelijken’ (Halsema 2018, p. 15). De belangrijkste redenatie is vervolgens dat onze samenleving hoopvolle veranderingsgezindheid ontbeert, omdat zij niet trots is op haar progressieve basis en daarmee een wezenlijk deel van haar identiteit miskent.

Halsema neemt Benedict Andersons, Imagined Communities (1983), als uitgangspunt voor de stellingname dat nationalisme belangrijk is als sociaal netwerk en verbeelde gemeenschap, en niet per se moet worden gezien als conservatief of reactionair – hoewel zij registreert dat nationalistische argumenten tegenwoordig vooral worden ingezet contra de EU, het migratiebeleid, en internationale vredesmissies. Toch meent Halsema dat er nationale trots nodig is om een democratisch debat over de toekomst van de samenleving mogelijk te maken.

De vrijheid van meningsuiting, de gelijkheid van man en vrouw en van hetero-en homoseksuelen zijn symbolen geworden van nieuw-rechts, die daarmee verdere vooruitgang of emancipatie blokkeert.

Het merendeel van de Nederlandse bevolking is tevreden met zijn leven, maar velen blijken gevoelig voor het geloof in de naderende ondergang, zoals verkondigd door Thierry Baudet, of de overtuiging dat Nederland kapot gaat aan islamisering, zoals wordt beweerd door Geert Wilders. Halsema stelt dat het publieke domein door het populisme bewust wordt afgebroken, vooral middels het opzettelijk verdraaien van de feiten. Haar tegengeluid is dat het publieke domein een plek van de verbeelding zou moeten zijn. Waar Baudet oikofobie noemt als de afkeer van links van een eigen huis en plaats, stelt zij – geïnspireerd door Hannah Arendt - een koinofobie voor, de afkeer van rechts van een waardige democratische samenleving die drijft op debat, overleg en compromis.

De tegenwoordige politiek kenmerkt zich volgens Halsema door technocratie. De grote samenhangende problemen van onze tijd, zoals de internationale migratie, de klimaatverandering, het voedselprobleem, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen en de ongelijke verdeling van kapitaal, blijven in het huidige politieke klimaat onaangeroerd. Politici als Buma, Wilders en Baudet verzetten zich tegen de progressieve elites. 

Halsema verwijst naar het proefschrift van Merijn Oudenampsen – The conservative embrace of progressive values, verdedigd aan de Tilburg School of Humanities & Digital Sciences in januari 2018 – dat heeft laten zien dat conservatieve politici sinds de jaren 1990, progressieve denkbeelden hebben geannexeerd om ze retorisch in te zetten in een debat contra de multiculturele samenleving. De vrijheid van meningsuiting, de gelijkheid van man en vrouw en van hetero- en homoseksuelen zijn symbolen geworden van nieuw-rechts, die daarmee verdere vooruitgang of emancipatie blokkeert. Oudenampsen noemde dat de post-progressieve backlash politiek: nieuw-rechts, met Pim Fortuyn en Frits Bolkestein als voorgangers articuleerde een conservatieve, anti-migratie politiek door Verlichtings-waarden als vrijheid en gelijkheid in het vaandel te hijsen, maar daarmee bepaalde sociale groepen bewust op afstand te plaatsen (Oudenampsen 2018, p. 195).

Het essay van Halsema biedt een globale en overtuigende analyse van de Nederlandse politieke ontwikkeling van de afgelopen vijftig jaar.

Halsema eindigt haar essay met een pleidooi voor verbeelding en zelfs utopie. Utopie ziet zij als mogelijke praktische veranderingen: een alternatieve economie, een basisloon etc. Verbeelding is meer abstract en creatief, zoals moge blijken uit een citaat:

Wij zijn niet de machteloze getuigen van een duizelingwekkend destructieproces. Wel zijn wij een land waar een groot onvervuld verlangen rondwaart, naar grotere rechtvaardigheid en meer menselijkheid. Dat verlangen wordt niet vervuld door repressie of controle, door polarisatie of onderlinge verwijten. Wel door trots, hoop en verbeelding. (2018, p. 61)

In deze sterk retorische – pathos en de tricolon – passage verbindt Halsema onze tijd aan de vrijgevochten, sociale, hoopvolle periode tussen 1965 en 1977. Zij wil die periode van maatschappij-verbetering laten herleven en opnieuw als inspiratie nemen.

 

Wat is verbeelding?

Het essay van Halsema biedt een globale en overtuigende analyse van de Nederlandse politieke ontwikkeling van de afgelopen vijftig jaar. We bevinden ons nu 5 decennia na dat glorieuze, romantische en tot de verbeelding sprekende revolutiejaar 1968. Nieuw-rechts heeft links opzij geschoven, links progressief denken heeft zich in de hoek laten drukken, de sociaal-democratie is vleugellam geworden.

Mijn reactie is dat er in deze context een sterkere claim valt te maken ten aanzien van de kracht van verbeelding. Ook ben ik van mening dat in Halsema’s betoog een belangrijk aspect ontbreekt dat alle veranderingen aanscherpt: de digitalisering. Ik zal mijn respons op deze twee argumenten toespitsen.

Als Halsema stelt dat progressief Nederland geen verbeelding inzet, legt zij te weinig nadruk op het feit dat aan de zijde van nieuw-rechts en populisme verbeelding all-over-the-place is. Alle ondergangsprofetieën en het doemdenken over Islamisering zijn natuurlijk geworteld in de verbeelding van een vijandige maatschappij waarin ‘wij’ opzij worden gedrukt door een ‘zij’. Verbeelding wordt hier misbruikt, feiten worden verkwanseld, alternative facts worden verspreid. Verbeelding als toekomstvisie, die Halsema nastreeft, is nadrukkelijk iets anders dan de manipulatieve en effectieve negatieve verbeelding van de status quo, zoals die wordt ingezet door Thierry Baudet, maar ook door Donald Trump en door de Brexiteers. Belangrijk voor de analyse is, zo meen ik, dat de populistische verbeelding sterk verbonden is met gemoedsgesteldheid en stemming en zelfs stemming-makerij, en in die zin met de intentie te misleiden.

Social imaginaries - als ‘as if’ constructies of visionaire narratieven - kunnen voeding geven aan het democratische debat.

Ik wil proberen het nadenken over verbeelding scherper te krijgen. Allereerst verwijs ik daarbij naar de Canadese filosoof Charles Taylor die in 2004 een boek schreef over ‘social imaginaries’, en daarmee in feite de argumentatie van Anderson voortzette. Taylor’s standpunt is dat in een samenleving sociale verbeeldingen belangrijk zijn omdat zo de samenhang tussen mensen wordt bewerkstelligd. Imagineries betekent dat mensen op basis van verhalen, beelden en legendes bepaalde handelingen (‘common practices’) verrichten en legitimeren (‘collective understandings’). Het gaat om ‘how we stand to each other, how we got to where we are, how we relate to other groups’ (2007, p. 25).  Eigenlijk, zo zegt Taylor, zijn deze ‘social imagineries’ illusies, maar toch hebben we ze nodig om in een samenleving te functioneren. Hij geeft een aantal voorbeelden: markt economie, publieke sfeer, zelfbestuur – dit zijn de sociale verbeeldingen van de westerse maatschappij, die ons samenleven structureren.

Als ik dit terugkoppel naar Halsema’s meer abstracte notie van verbeelding als creatieve, geëngageerde visie, dan helpt Taylor om die notie pragmatischer te maken: we moeten een aantal narratieve scenarios als sociale verbeeldingen van onze samenleving schetsen, en daar dan mee aan de slag gaan. Scenarios zijn dan ‘as if’ constructies die helpen om over de wereld na te denken. Je zou het scenario kunnen bedenken van een ‘Europees Nederland’ of van het tegendeel: een ‘begrensd Nederland’. Niet als doembeelden, niet met de intentie te misleiden, maar als bewust fictieve constructies die het mogelijk maken over de hedendaagse realiteit na te denken.

Een voorbeeld van zo’n ‘as if’ constructie is de roman Soumission (2015) van de Franse auteur Michel Houellebecq, waarin de Franse samenleving anno 2020 wordt beschreven. In dat scenario is een Moslim minister-president geworden, en dat heeft allerlei praktische sociale veranderingen tot gevolg. Dit ‘as if’ scenario, of je het boek nu goed of slecht vindt, zet aan het denken, en wordt ook door politieke vertegenwoordigers in het debat betrokken en als voorbeeld genomen.

Feit is dat digitalisering grote consequenties heeft voor de politiek, en daarmee voor de balans tussen behoudend en vooruitstrevend denken.

Mijn punt is dus dat 'social imaginaries' als ‘as if’ constructies of visionaire narratieven voeding kunnen geven aan het democratische debat. Sommige inzichten kunnen juist met behulp van de verbeelding worden verkregen. Het zijn heel vaak kunstenaars, schrijvers, filmers, architecten die zeer geoefend zijn in het ontwerpen van dergelijke verbeelding-constructies. Dat beweerde ook de schrijfster Hella S. Haasse ooit in een interview met Arjan Peters: ‘Ik denk dat veel wetenschappers, historici en anderen, steeds meer inzien dat een schrijver door intuïtie, en zijn specifieke manier om met gegevens om te gaan, soms ontdekkingen kan doen en waarheden kan vinden waar iedereen belang bij heeft’ (Peters, 2006. p. 12). Politici zouden meer te rade mogen gaan bij artistieke denkers en makers om ‘as if’ scenario’s te ontwerpen en bespreekbaar te maken.

Verbeelding is complex en omvat verschillende nuances tegelijkertijd: ‘as if’ denken, visionaire vergezichten, creativiteit, fantasie, bewuste illusie. En in al die vormen biedt verbeelding een serieus denkkader, een alternatief frame om de werkelijkheid in beschouwing te nemen en te doorgronden.

 

Waar is de digitalisering?

Als geschreven wordt over macht en verbeelding en de verandering van de politieke constellatie in de laatste 50 jaar in Nederland, zou het ook zinvol zijn het fenomeen van digitalisering daarbij te betrekken. We kunnen immers niet anders dan vaststellen dat sinds de wijde verspreiding van het internet en de fundamentele technologische vernieuwingen die daarmee samenhangen, de maatschappij en politiek drastisch veranderd zijn. Voor hen die geboren zijn in de zestiger jaren, - zoals Halsema en ook ikzelf - betekent dat dat zij aan het begin van hun volwassenheid een volledig nieuwe praktijk hebben moeten aanleren, van online zijn, van je connected weten, en voortdurend info opvragen en ontvangen van anderen.

Feit is dat digitalisering grote consequenties heeft voor de politiek, en daarmee voor de balans tussen behoudend en vooruitstrevend denken. Ook dat werd duidelijk uit het al genoemde proefschrift van Merijn Oudenampsen dat in het laatste hoofdstuk aandacht besteedt aan de retorica van weblog GeenStijl als sardonische campagne tegen de moraal en het fatsoen (met overigens intellectuele wortels in de literatuur van de jaren zestig). GeenStijl permitteert het zich om ‘hufterig’ te zijn (zie het Huftermanifest), en heeft veel van z’n populariteit te danken aan deze onaangepaste, nieuw-rechts-provocatieve houding. GeenStijl heeft daarmee invloed gehad op de manier waarop politici zich lieten interviewen en profileren op televisie, en ook op het populariseren van politieke statements en oneliners.

Digitalisering is niet weg te denken uit de Westerse samenleving, maar we moeten wel ideeën hebben over hoe de digitale publieke ruimte wordt georganiseerd en beheerd.

Het boek Nieuw Rechts, dat verscheen in januari 2018 (en eveneens werd geschreven door een onderzoeker, Ico Maly, van het departement Cultuurstudies van de Tilburg School of Humanities and Digital Sciences), biedt inzicht in de verandering van politieke verhoudingen onder invloed van digitalisering. Maly laat zien dat populisme een mediafenomeen is en zeer sterk wordt beïnvloed door technologie en economie. Voordat de zaak van Facebook en Cambridge Analytica aan het licht kwam, beschreef Maly al hoe de president-campagne van Donald Trump werd gestuurd door algoritmes en manipulatie. Macht en propaganda zijn daar waar geld voor digitale beïnvloeding naar toe stroomt.

Maar digitalisering is natuurlijk niet alleen maar negatief voor de politieke verhoudingen: ook Barack Obama immers maakte gebruik van nieuwe digitale mogelijkheden van een ‘grassrootscampaign’ die zijn uitspraken ondersteunde en gefaciliteerd werd door een digitaal marketingteam. Kiezers werden geactiveerd via mail, sociale media (My.barackobama.com), en apps (Maly 2018, p. 40). Wat we dus zien is dat enerzijds private spelers de publieke ruimte domineren, terwijl anderzijds een politicus zijn specifieke (hoopgevende) visie breed aan zijn kiezers wist duidelijk te maken. 

Een andere variant hiervan is de verkiezing van Emmanuel Macron, die in april 2016 zijn beweging La République En Marche! op gang bracht, en in mei 2017 werd verkozen tot president van Frankrijk. Ook hier speelde de digitale publieke ruimte, het bijeen brengen van mensen via sociale media een rol. Macron definieert zijn centrum-liberale beweging overigens als progressief en links met rechts verbindend. En marche! zou niet effectief geweest zijn zonder digitale media.

Het internet kan mensen bij elkaar brengen en gemeenschapszin en sociale cohesie bevorderen. Ook, natuurlijk, krioelt het van de trollen en bots en figuren die liever polarisatie zien dan samenhang. 

Digitalisering is niet weg te denken uit de Westerse samenleving, maar we moeten wel ideeën hebben over hoe de digitale publieke ruimte wordt georganiseerd en beheerd. Dat zou ik ook beschouwen als een van de grote politieke vraagstukken van onze tijd. De digitale publieke ruimte is nog niet af, en moet ontworpen worden, zodat alle kansen en beperkingen in balans worden gehouden. Algoritmes zijn bruikbaar maar kunnen ook manipuleren, vrijheid van meningsuiting zou aan regels gebonden kunnen worden (Garton Ash 2016), veiligheid en privacy issues zitten vast aan ethische kwesties. En: internetbedrijven als Facebook worden zo omvangrijk dat ze unmanagable lijken te worden (zoals blijkt uit Mark Zuckerbergs interviews met Amerikaanse congresleden). Hebben we niet ook een progressieve verbeeldende toekomstvisie nodig met betrekking tot deze complexe vragen?

Interessant is dat Macron in een recent interview aangaf dat hij zeker een visie heeft op de digitale toekomst. Hij spreekt over Frankrijks bemoeienis met en investeringen in Artificial Intelligence-ontwikkelingen en stelt vast dat de omvangrijke technologische revolutie ook een politieke revolutie is. Hij benadrukt dat technologische voortuitgang gepaard moet gaan met de verbetering van kwaliteit van leven:

The key driver should not only be technological progress, but human progress. This is a huge issue. I do believe that Europe is a place where we are able to assert collective preferences and articulate them with universal values. I mean, Europe is the place where the DNA of democracy was shaped, and therefore I think Europe has to get to grips with what could become a big challenge for democracies.

Macht en verbeelding in de digitale ruimte

Ik breng tot slot mijn punten samen: ik denk dat zowel macht als verbeelding te maken hebben met de digitale publieke ruimte en de politieke ontwikkelingen daarbinnen. In deze context zijn er imaginaire scenarios nodig van kunstenaars en gedreven politici of publieke intellectuelen, waarmee het mogelijk wordt verschillende opties en analyses van onze samenleving tegen elkaar af te zetten, te begrijpen en bediscussiëren.

Misschien zijn wij een land waar ‘een groot onvervuld verlangen rondwaart, naar grotere rechtvaardigheid en meer menselijkheid’, zoals Halsema stelt. Maar zeker ook zijn we een land dat vooraan zou kunnen lopen in de reflectie op technische vernieuwing en in staat zou moeten zijn meer mensen en verschillende verhalen te betrekken in het publieke maatschappelijk debat. Het internet kan mensen bij elkaar brengen en gemeenschapszin en sociale cohesie bevorderen. Ook, natuurlijk, krioelt het van de trollen en bots en figuren die liever polarisatie zien dan samenhang. 

Mijn standpunt is dat we ernaar moeten streven het publieke platform dat het internet biedt zo goed mogelijk te gebruiken en beheren. De heterogene, diverse kracht van het internet kan de verbeelding op gang brengen, en uiteindelijk betrokkenheid, verantwoordelijkheid en verdeling van de macht genereren. Ik hoop dat progressieve politici en intellectuelen hier een rol nemen, door debat te stimuleren, excessen en polarisatie tegen te gaan, en informatie te filteren (Sunstein 2017).

Referenties

Halsema, F.  (2018). Macht der verbeelding, Essay voor de maand van de filosofie.

Garton Ash, T. (2016), Free Speech, Ten Principles for a Connected World, London: Atlanric Books.

Maly, I. (2018). Nieuw-rechts. Antwerpen: EPO.

Oudenampsen, M. (2018). The Conservative Embrace of Progressive Values, On the intellectual origins of the swing tot he right in Dutch politics. Tilburg.

Peters, A. (2006). De handboog der verbeelding, In gesprek met Hella S. Haasse. Amsterdam: Querido.

Cass R., S. (2017). #republic, Divided Democracy in the Age of Social Media. Princeton & Oxford: Princeton University Press.

Taylor, C. (2007). Modern Social Imagineries. Durham & London: Duke University Press.