Van rouw tot roman

Authentieke ervaring of autofictie?

10 minutes to read
Article
Emily Tang
01/03/2017

 

‘‘Als een waanzinnige ben ik gevangen in een idiosyncratische wereld, in de hel van de puur persoonlijke betekenissen, ondeelbaar, onmededeelbaar. Het puur persoonlijke is de essentie van de pijn en van de eenzaamheid, er valt niet aan te ontkomen. Het is ook precies de reden waarom de weg naar fictie doodloopt, waarom ik fictie nu onleesbaar vind, maar ook waarom ik er nu geen fictie van kan maken. Gevangen in het persoonlijke. Geen overstijging naar het algemene, geen ontsnapping mogelijk.’’ (Palmen, 2011, p. 36)

Connie Palmen verloor haar echtgenoot Hans van Mierlo, oprichter van de politieke partij D66, na een ziekbed op 11 maart 2010. In november 2011 kwam Logboek van een onbarmhartig jaar uit, waarin Palmen in autobiografische stijl vertelt over het jaar na Van Mierlo’s dood. Eerder schreef Palmen de roman I. M., een in memoriam voor Ischa Meijer, met wie zij tot aan zijn dood in 1995 een relatie had. Ook in de roman Geheel de Uwe (2002) komt haar relatie met Meijer, zij het gefictionaliseerd, terug. Na het overlijden van Van Mierlo voelde Palmen zich echter niet in staat een roman te schrijven en viel de keuze op het schrijven van een logboek.

Het woord logboek verraadt dat het boek een autobiografische vertelling is. De autobiografische schrijfstijl is zeker geen uitzondering in het oeuvre van Connie Palmen. Deze stijl leidt juist keer op keer tot eenzelfde discussie rondom de grens tussen fictie en laster, vanwege de wijze waarop Palmen haar eigen leven, en dat van anderen, gebruikt in haar romans. In I.M. heten de hoofdpersonages bijvoorbeeld zelfs Connie Palmen en Ischa Meijer. Destijds hield Palmen vol dat het boek een roman was en geen autobiografie. Naar aanleiding van de kritiek op I.M. schreef ze een reactie in Vrij Nederland:

‘‘Ik heb nog nooit een autobiografie geschreven. Ik ben dit ook niet van plan. Ik heb ook nog nooit een boek geschreven met als uitgangspunt iets over mijn eigen leven of over een deel van mijn leven uit de doeken te doen. Ik heb u nooit beloofd de waarheid neer te zullen schrijven en niets anders dan de waarheid. Integendeel. Het wordt nooit wat met de waarheid.’’ (Vrij Nederland, 1999)

Connie Palmen presenteert haar nieuwe boek


Foto: HAAGSALLERLEI
 

Los van de vraag of we Logboek van een onbarmhartig jaar nu wel of niet als autobiografisch kunnen zien, is de grens tussen fictie en werkelijkheid een belangrijk thema in het logboek.

‘‘Jaren geleden, toen Hans me voor het eerst een fragment uit zijn dagboek voorlas, raakte ik daarvan in de war en werd boos. Hij begreep er niets van. Terwijl hij me had willen bekoren met zijn woorden, zat ik te tieren. ‘Het was anders, het is alsof we niet hetzelfde hebben meegemaakt,’ herhaalde ik steeds. Mijn herinnering aan wat hij beschreef, strookte niet met de zijne.’’ (Palmen, 2011, p. 72)

Wat zijn de problemen die zich voordoen bij het beschrijven van de werkelijkheid? Deze kwestie wordt in Logboek van een onbarmhartig jaar meerdere malen aangehaald.

 

Ruziën over taal

Hoe taal zich verhoudt tot de werkelijkheid is één van de punten waarover Palmen filosofeert in het logboek. Over een ruzie met Van Mierlo schrijft ze: ‘‘We ruziën over taal. Ik zeg tegen hem dat hij de taal gebruikt om de werkelijkheid te verfraaien en weg te maken, terwijl ik de taal beschouw als een instrument om de werkelijkheid te doorgronden en te ontrafelen.’’ (Palmen, 2011, p. 77). De taal is voor Palmen ook een belangrijke manier om Van Mierlo te herdenken. In het logboek is ze constant op zoek naar zijn aantekenboekjes, zijn oude dagboeken, zijn handschrift. Taal lijkt voor Connie Palmen dus een middel om tot de werkelijkheid te komen, om deze vast te leggen, maar het probleem van de taal is dat zij nooit eenduidig is. De taal draagt daarom bij aan het vervagen van de grens tussen de werkelijkheid en fictie, of zelfs tot het transformeren van het één naar het ander.

‘‘De pogingen van de autobiograaf om de waarheid over zijn leven te vertellen zijn tot mislukken gedoemd. De intentie van de schrijver doet daar niks aan af, want je kunt, met de beste wil van de wereld, je eigen woorden niet behoeden voor het krijgen van betekenissen waar jij niet om gevraagd hebt.’’ (Vrij Nederland, 1999).

In Logboek van een onbarmhartig jaar bekent Palmen gebruik te maken van de meerduidigheid van de taal in haar romans, maar ze ontkent dat hiervan ook sprake is in het logboek.

‘‘De verdubbelde staat lijkt op die waarin je verkeert als je met een roman bezig bent en de werkelijkheid woekert van meerduidigheid en zin, je met het grootste gemak een symbolische lading geeft aan banale gebeurtenissen, woorden en zinnen, omdat ze naadloos passen binnen de structuur van je denken en daarin van hun nietszeggendheid worden ontdaan. Alleen is dat de gelukzalige gespleten staat van de schrijver en gebeurt nu het omgekeerde. Nu is het de hel van een werkelijkheid die haar voornaamste betekenis ontbeert en je zinledig voorkomt.’’ (Palmen, 2011, p. 73-74).

 

Rouw maakt schizofreen

Wanneer we het thema werkelijkheid en fictie in Logboek van een onbarmhartig jaar bekijken, is het van belang om daarbij mee te nemen dat Palmen in de rouw was bij het schrijven van dit boek. De werkelijkheid van het hier en nu is van ondergeschikt belang, de rouwende waant zich liever in het verleden met zijn of haar geliefden. ‘‘Rouw maakt schizofreen. Waar ik ga, ga ik met een verdwenen man,’’ zegt Palmen enkele maanden na zijn dood in het logboek (Palmen, 2011, p. 72). Van Mierlo is er constant voor Palmen en zijn herinnering kan door ieder onverwacht woord of ding ongevraagd worden opgeroepen.

De pijn van de rouw heeft een verdovende werking op het heden, waardoor deze anders binnenkomt: minder scherp en gedomineerd door het verleden.

In Benali Boekt (2011) interviewt Abdelkader Benali Connie Palmen een jaar na de dood van Van Mierlo. De verslagenheid van de rouw is van Palmens gezicht af te lezen. Openhartig vertelt ze over haar logboek en wat de rouw met haar doet:

‘‘Een logboek suggereert dat je je onderwerpt aan de dictatuur van werkelijkheid en de dagelijksheid. Je maakt een verslag, op een verslagachtige manier, van de werkelijkheid. Maar het gekke is: als je rouwt heb je eigenlijk geen werkelijkheid. In zekere zin leef je puur in de verbeelding, meer dan ooit in je leven. Je leeft niet nu, je leeft voortdurend.. Ik lig nu in het OLVG, naast Hans, hij is net terug van de intensive care en hij heeft ’t gered. Ik weet precies hoe de volgende week eruit gaat zien. Dus ik ken een verleden, en ik leef veel meer in het verleden. Daarom is er ook zo’n ongelooflijke... amnesie. De amnesie van het verdriet heeft daarmee te maken. Dit jaar maak je niet echt mee. En dat vorige jaar hangt als een hond aan je broekspijp en ’t bijt voortdurend. En je hebt eigenlijk geen idee… ik heb geen idee van dit jaar.’’ (Benali Boekt, 2011).

Connie Palmen in gesprek met Abdelkader Benali

 

 

Het verraad van de schrijver

‘‘Autobiografische boeken hebben net als historische romans en literaire non-fictie een paradoxale status. Ze gaan over werkelijk gebeurde feiten en reële ervaringen, maar ze willen tegelijk ook literatuur zijn, een hoedanigheid die vele lezers verbinden met verzonnen gebeurtenissen,’’ schrijft Lut Missinne in een artikel over rouwromans (2014). Palmen beweert echter helemaal geen literatuur te willen of kunnen schrijven in dit boek. ‘‘Ik schaam me dát ik schrijf, en hóe ik schrijf’’, zegt ze aan het begin van het logboek (Palmen, 2011, p. 15). Dat Palmen een duidelijke grens weet te stellen van wanneer iets in haar ogen literatuur is of niet, is al vaker gebleken, bijvoorbeeld toen ze openlijk Saskia Noort, schrijfster van de zogenaamde literaire thrillers, verzocht ‘‘zich weg te scheren uit het land van de literatuur’’. In Logboek van een onbarmhartig jaar schrijft Palmen echter op de manier die zij zichzelf verboden had.

‘‘Vijftien jaar geleden werd mijn tweede roman meegezogen in de amnesie van het verdriet, nu moet ik Het geluk van de eenzaamheid (2009) herlezen om te weten wat ik over de kunst van de roman dacht, om te achterhalen of ik dat nog steeds denk, of dat de dood me heeft veranderd en ik het onzin ben gaan vinden. Ik wil ook bij mezelf lezen waarom dit logboek volgens mijn eigen criteria geen literatuur is, om te zien wat ik mezelf verbied.’’ (Palmen, 2011, p. 88)

Palmen blijkt toch een Judas. De Connie Palmen in het logboek mag dan wel beweren dat haar schrijven geen literatuur is; de werkelijke schrijfster Connie Palmen beweert echter iets anders. In Advalvas, het onafhankelijke magazine van de Vrije Universiteit Amsterdam, reageert Palmen op de kritiek van Elsbeth Etty (Etty, 2011), die het logboek ‘‘louter zelfbeklag’’ noemt. Palmen wijst Etty erop dat haar boek geen zelfbeklag is, maar ‘‘literair miskend’’ (Castermans, 2012). Buiten de vraag of het logboek al dan niet literatuur is, treedt Palmen een aantal keer op als verrader, door te verraden dat zij haar teksten aanpast.

‘‘Ik ga steeds meer terug in de tekst, om er iets van te maken. Het is verraad, bedrog, een schending van de belofte van het genre. Hoe kun je dit nog een logboek noemen? Zouden alle dagboekschrijvers de dictatuur van de dag verlaten, de wetten van het genre schenden, verfraaien, verdiepen, invoegen, aanvullen?’’ (Palmen, 2011, p. 74)

De lezer zal het dus moeten doen met de werkelijkheid zoals Palmen deze voorstelt, maar de werkelijkheid van Palmen is ook nog aan ‘bedrog’ onderhevig, namelijk dat van haar eigen geheugen.

‘‘Het bedrieglijke aan de narratieve belofte van dagboeken, logboeken, memoires en autobiografieën, is dat ze eerlijk zijn, dat ze de waarheid vertellen. Ik weet nu hoe dat gaat. Ik weet dat je meer níet opschrijft dan wel. Ik weet dat je kronkelt en draait, dat je veel verzwijgt om jezelf en anderen te sparen, maar ook dat het geheugen zelf je al aan het bedriegen is.’’ (Palmen, 2011, p. 158-159)

Is er ook een grens tot waar de werkelijkheid gefictionaliseerd mag worden? Uit het logboek blijkt van wel. Palmen schrijft hoe ze enkel rouwliteratuur kan verdragen, zoals het rouwdagboek van Roland Barthes, Taal zonder mij van Kristien Hemmerechts en Het jaar van het magisch denken van Joan Didion. Het boek A Widow’s Story van Julian Barnes noemt Palmen echter ‘‘valsmunterij’’. Barnes laat namelijk in zijn beschrijving van rouw weg dat hij intussen een nieuwe liefde is tegengekomen en kort na het schrijven van het boek hertrouwt. Voor Palmen is dit grensoverschrijdend: ‘‘Het maakt nogal wat uit of je jezelf het eerste jaar in leven hebt gehouden met of zonder een nieuwe geliefde naast je.’’ (Palmen, 2011, p. 158).
 

Eigenaar van de geschiedenis, eigenaar van de betekenis

Duidelijk is dat zich meerdere problemen voordoen bij het beschrijven van de werkelijkheid. Taal kenmerkt zich door haar meerduidigheid en vraagt om interpretatie. De pijn van de rouw heeft een verdovende werking op het heden, waardoor deze anders binnenkomt: minder scherp en gedomineerd door het verleden. Daarnaast is de schrijver vrij om te kiezen welke gebeurtenissen wel of niet worden genoteerd, maar de schrijver is ook vrij in de keuze hoe bepaalde gebeurtenissen beschreven worden. Daarbij wordt de schrijver zelf ook nog op de proef gesteld door zijn eigen geheugen.

In het geval van Connie Palmen ligt het wellicht nog een beetje anders. De dood van Hans van Mierlo was wel de aanleiding voor het schrijven van het boek, maar een portret van het leven van Van Mierlo komt er niet in voor. We mogen hem enkel meemaken in de tijd dat hij samen met Palmen was, en op een enkele aantekening geschreven door Van Mierlo na, mogen we hem enkel leren kennen door de herinneringen van Palmen. Zelfs dan bewaart Palmen echter enige afstand tussen de lezer en haar overleden echtgenoot.

‘‘Het enige verband tussen een kwarteltje, een vuurrode camelia, een vetvlek op een das, de licht gebogen tred van een rijzige man, schoenzolen die aan de buitenkant sleets zijn, maltbier, blauwe overhemden en Charles Trenet, is hij.
En hij heeft alleen betekenis voor mij, zoals hij door mij is gezien.’’ (Palmen, 2011, p. 35-36)

De lezer mag dus alleen getuige zijn van de liefde tussen de twee, van het gemis door Palmen en de intense rouw, maar de lezer hoeft het niet in zijn hoofd te halen om te denken dat hij Van Mierlo kent zoals zij dat heeft gedaan. De geschiedenis en de werkelijkheid, die zijn van Connie Palmen en van die werkelijkheid mogen wij geen deel uitmaken, die houdt ze voor zichzelf.

''De zinnelijkheid van de herinnering, de intimiteit ervan, is het verschil tussen de manier waarop de wereld hem mist en hoe ik hem mis. De publieke man braadt geen kwarteltjes voor je, brengt je ‘s ochtends geen ontbijt op bed, streelt je niet, omarmt je niet, bemint je niet, zegt niet mijn duifje, mijn hondje, mijn hartendiefje.
In het publieke domein valt iemand bewondering of afkeer ten deel. Er zit weinig tussen. Maar de liefde danst op ontroering. Je houdt niet van iemand om waar hij goed in is, waarmee hij naam heeft gemaakt in de wereld. Je houdt van zijn onvolkomenheden, van zijn zwakheden, van zijn onschuld.'' (Palmen, 2011, p. 38)

Connie Palmen en Hans van Mierlo kort na hun ontmoeting

Referenties

Castermans, W. (2012, December 18). Connie Palmen houdt niet van verzinnen. Advalvas, pp. 16-17.

Etty, E. (2011, 11 november). Zie toch hoe groot en uniek onze liefde is; Connie Palmens beklag blijft louter zelfbeklag. NRC Next, pp. 0.

NTR (2011, April 10) Benali Boekt bij Connie Palmen [Video file].

Missinne, L. (2014). Tussen emotie en literatuur. De paradoxale status van rouwromans. Ons Erfdeel (2), pp. 98-109

Palmen, C. (2011). Logboek van een onbarmhartig jaar. Amsterdam: Prometheus. 

Vrij Nederland (1999, Juni 19). Connie Palmen verklaart zichzelf.